De bijbelse ontstaansgeschiedenis

naar Don Guido Bortoluzzi

“In de vroe­ge ochtend van de 15e augustus op het feest van Maria ten Hemelopneming, kreeg Don Guido, toen 65 jaar oud, een onver­wacht bezoek van een engel. Die wekte hem en be­reidde hem voor op de komst van Onze Lieve Vrouwe alsook van de eerste Vrouw. De ene maakte zich bekend als “de Moeder van Jezus en de Moeder in de Geest van alle ver­losten” en de andere als “de natuurlijke moeder van de zonen van God”. Het hoeft geen betoog dat Don Guido hier erg verbaasd over was.”

Ophelderingen betreffende de oorsprong van de Mens en het doel van de Ark van het Verbond ten behoeve van het herstel van de Mensheid, ontleend aan de geschriften van pastoor Guido Bortoluzzi. “Ik zocht de waarheid betreffende sommige problemen over de oorsprong van de Mens, en de Waarheid Zelf is mij onverwacht tegemoet getreden, onverdiend, helder, overvloedig, prachtig en troostvol.”

Opheldering t.a.v. Oorsprong van de Mens volgens Don Guido Bortoluzzi.3eEd by Hubert Luns


 Inleiding

De Bijbel is het boek bij uitstek van het ‘Woord van God’ en het begint en ein­digt met boeken die ons voor raadsels stellen. Het gaat hier om de eerste hoofd­stukken van Genesis, die over de ontstaansgeschiedenis gaan, en het hele boek Openbaring. Het lijkt alsof er door Gods wil twee verzegelde deuren zijn geplaatst, één vooraan en één achteraan de Heilige Schrift, alsof God in het proces van de openbaring van Zich­zelf en zijn werken ruimte had gelaten voor het mysterie dat Hij op het geschikte moment wilde meedelen nadat aan bepaalde voor­waarden zou zijn voldaan. Te denken valt aan het vermogen van de we­tenschap om de essentie van bepaalde onderwerpen correct en uitgebreider weer te geven zoals thans met de genetica en astrophysica. Dat staat ook niet los van de ophanden zijnde wederkomst van Christus en de afsluiting van een peri­ode die aan de komende nieuwe wereld voorafgaat als onze aarde alsdan totaal zal zijn vernieuwd en niet langer zucht onder de weeën van een moeizame zwangerschap. Mo­menteel is het grootste deel van de mensheid agres­sief en tegen zichzelf gekeerd en is niet in staat om de leer van het evangelie te aan­vaarden of toe te eigenen, wat het mid­del is om zich boven het dierenrijk uit te tillen en dichter bij Gods rijk te komen.

Deze wending in de tijd vereist dat de volledige waarheid aan de mensheid wordt kenbaar gemaakt opdat het zijn eigen toestand kan waarnemen en wordt aangespoord om in een nieuwe en gerechtvaardigde relatie met de Heer te komen.

Daarom, indien deze twee bijbelboeken door Gods wil zijn verzegeld, spreekt het vanzelf dat de mens deze niet volledig kan uitleggen. De mens probeert te begrijpen, hij veronderstelt, maakt gissingen, maar de volle Waarheid blijft verborgen totdat de Heer besluit de deuren te openen.

Eindelijk blijkt de door God gekozen tijd te zijn bereikt! Hij heeft zich ver­waar­digd om de mensheid over duistere punten van het boek Genesis in te lichten, ge­bruik makend van een eenvoudig priester van een bergparochie, Don Guido Bortoluzzi. Bij­na gelijkertijd, in 1989, sprak onze Lieve Vrouwe in een reeks boodschappen tot de priester Don Gobbi, oprichter van de Mariale Priesterbeweging, waarin Zij meer in het bijzonder inging over de betekenis van het boek Openbaring.

De door Don Guido ontvangen openbaring maakt duidelijk hoe de mens onstond. De Mozaïsche concepten, die wij uit Genesis kennen, worden daarmee bevestigd, ter­wijl sommige aspecten een diepere verklaring krijgen. Hierdoor wordt alles eenvou­diger en logischer. Er wordt hiermee een punt gezet achter de oeverloze discussie tus­sen de zogenaamde creationisten en evolutionisten. Het is correct om in tijdsmatige op­eenvolging een trapsgewijze voortzetting te zien van de ene naar de andere diersoort, terwijl het essentieel is om in de vorming van iedere soort ‘afzonderlijk’ een direct in­grijpen van God te zien. De wetenschappelijke benadering hanteert uitgangspunten die diametraal tegenover elkaar staan of daar ergens tussenin liggen en oppert theo­rieën die aanvechtbaar zijn omdat ze niet langs experimentele weg kunnen worden getoetst. Ze reiken daarom niet verder dan hypothesen, die uit hun aard nooit aanspraak kunnen maken op absolute geldigheid. Met deze onzekerheid gecon­fronteerd, is God de enige die uitsluitsel kan geven over de oorsprong van de mens en zijn ontstaans­ge­schiedenis – Hij is immers zijn Maker.

Een door God aangestuurde schepping middels een vorm van ‘bemiddeling’ geeft op al deze theorieën antwoord. Bemiddeling geeft aan dat God datgene als een ‘mid­del’ of instrument gebruikt tijdens de creatie van om het even welke soort, de mens inbegrepen, wat als vrouwtje van de soort onmiddelijk aan de nieuwe soort voor­afgaat. In zo’n vrouwtje nu implanteert Hij de daaropvolgende schepping. De term ‘schep­ping’ geeft aan dat God uit het niets de gameten van de eerste cel van het eerste en tweede individu van de nieuwe soort maakt, en dat Hij niet iets dat reeds bestaat op een hoger plan brengt. We zullen daar later op terugkomen. Iedere pseudomoeder van de twee voorvaders – één pseudomoeder voor elke nieuwe soort – dient slechts als in­cu­bator, couveuse, of draagmoeder, omdat er geen genen van haar eigen soort aan de nieuwe soort worden overgedragen. In het bijzonder bij de menselijke soort, en anders dan bij de soorten die daaraan voor­afgingen, stortte God zijn eigen Geest in, waarmee de mens ‘geestelijk levend’ werd.

Nevens dat Gods Geest aan de mens werd overgedragen, dient te worden begre­pen dat het God was die beide gameten van de man en vrouw creëerde, die samen de eerste cel van de eerste mens vormden. Don Guido heeft dit belangrijke concept des­tijds aan de Patriarch van Venetië meegedeeld, Albino Luciani, met wie hij samen op het seminarie zat en degeen is die later paus Johannes Paulus I zou worden. Deze had er geen moeite mee te verklaren dat God tegelijk Vader en Moeder van de Mens was, waarbij hij kennelijk aan Don Guido’s woorden geloof hechtte.

God legt ook het verschil uit tussen kinderen of ‘zonen van God’ en ‘kin­deren van de mens’. De eersten zijn de legitieme afstammelingen van de door God ge­schapen mens in zijn perfecte staat, die in de perfect gecreëerde staat zijn gebleven om­dat ze ‘genetisch zuiver’ waren, terwijl de tweede categorie de illegitieme afstam­me­lingen zijn van de ‘mens’ Adam die door de ‘oerzonde’ biologisch ‘verontreinigd’ wa­ren ge­raakt. Er is sprake van oer- of erfzonde omdat het aan het begin van de mens­heid stond.

Dan volgt het verslag van de zondeval, wat niet slechts een zonde uit trots en arrogantie was. Het was ook een zonde uit ongehoorzaamheid en een kwaad doen door een concrete daad van hybridisatie van de menselijke soort, die door onze stamvader Adam werd begaan, die 46 chromosomen had en de eerste was van de genealogische levensboom. Dat geschiedde omdat hij seksuele betrekkingen had met het enige vrouwtje van de soort die onmiddelijk aan de mens voorafging. Zij kwam chromoso­maal over­een omdat zij bij uitzondering door God van 47 chromosomen was voorzien met het oog op haar taak als ‘surrogaatmoeder’ voor de zonen van God. Zij behoorde tot de wilde genealogische boom van de voorvaders die van nature 48 chromosomen had. De ‘generatieve’ seksuele daad veroorzaakte een biologische vervuiling of ontre­geling, en leidde tot een psychosomatische regressie in de illegitieme hybride tak. Dit had tot ge­volg dat menselijke individuen ontstonden die er als dieren uitzagen, som­mi­gen met 46 chromo­somen en weer anderen met 47. Hun karakters waren zodanig mis­vormd dat ze op de die­ren van een minderwaardige soort geleken. Het was deze invo­lutie, die gene­tisch aan de geschonden afstammelingen werd doorgegeven, die deze mensen het as­pect van hominiden gaf.

Ook die andere tak – die van Adams pure en legitieme afstammelingen, de zonen van God, die veel generaties onaangetast bleven – werd door onderlinge vermeng­ing gaandeweg in de verdorven tak opgenomen waardoor alle mensen ‘geleidelijk aan’ door de gevolgen van de erfzonde werden besmet. Dit is de verklaring van de cryp­tische uitdrukking in het tweede vers van Genesis 6 – die bijbelkenners eeuwenlang voor raadsels stelde. Dit vers spreekt van “de zonen van God, die naar de dochters van de mensen keken en zagen dat zij aangenaam waren om naar te kijken, en zij kozen van die dochters naar wat hun hart begeerde.” Dit was omdat die meer op hun voor­vader Adam leken. Deze zonde stond aan het begin van een afschuwelijke tragedie voor de mensheid, omdat het de oorsprong is en ware oorzaak van elk soort lijden. Want niet alleen bracht dat binnenin de menselijke natuur genetische afwijkingen die tevens de immunologische verdediging aantastten, maar het introduceerde ook de ba­sale dier­lijke instincten van agressiviteit en eigenmachtig handelen. Alhoewel gevallen van 47 chro­mosomen – zoals typisch voor het Down syndroom – zeldzaam zijn geworden na on­telbare door God geleide selecties, zijn we toch allen dragers van heel wat chro­moso­male afwijkingen. De erfzonde is dus genetisch ontstaan en doorge­geven, of “bio­lo­gisch”, zoals paus Benedictus XVI het exact formuleerde tijdens zijn alge­mene audi­ën­tie van 10 december 2008.

Nadat de zonen van God – de zuivere directe afstammelingen – waren uitge­stor­ven en de hybride mens een dieptepunt had bereikt, en nadat een aantal catastrofen, waaronder de zondvloed, de meest verdorven takken had afgebroken, zorgde God voor een herstel van de overlevenden. Alleen Noachs familie redde Hij van de zond­vloed, wiens kinderen niet genetisch zuiver waren maar toch minder verontreinigd dan al die anderen. Pas daarna onstond de scheiding tussen de rassen.

De vermenging van karakters van individuen die tot verschillende degenera­tieve groepen behoorden met diegenen die tot de superieure groep behoorden heeft anthro­pologen op het verkeerde been gezet. In de oude geologische lagen bevinden zich ver­schillende soorten hominiden en vondsten daarvan hebben ze als bewijs gezien van een spontaan evolutionair proces. Zij bevonden zich niet in een positie om bij hun ont­dek­kingen on­derscheid te maken tussen de vondsten die tot de involutiefase behoorden en die tot Gods regeneratief werk behoorden of her-evolutiefase.

Toen God besloot dat de tijd rijp was geworden omwille van het feit dat de mens weer over een voldoen­de gezonde geest beschikte en voor zijn daden verantwoordelijk kon wor­den gesteld, zond Hij, zoals dat heet, ‘in de volheid der tij­den’ zijn Zoon Jezus om de mensen van goede wil met Gods Geest te verrijken, die­zelfde Geest die God we­gens de erfzonde in de ver­dorven tak daaruit had te­rug­getrok­ken (Gen. 6:3). Im­mers, Gods Geest kan niet in ver­dierlijkte men­sen verblijf hou­den. We mogen zeg­gen dat het proces van de licha­melijke ver­los­sing, of het her­stel van li­chaam en psyche, mil­joe­nen ja­ren ge­le­den aanving en dat de door Chris­tus vol­brachte gees­te­lijke ver­los­sing een twee­de schep­ping is.

Wie was Don Guido?

Don Guido Bortoluzzi, de pionier van dit wonderbaarlijk inzicht, werd door God als intermediair verkozen tussen God zelf en de mensheid. Don Guido werd in 1907 in Puos d’Alpago geboren, een dorp­je in het noordoosten van Italië op onge­veer twintig kilometer van Belluno. Zijn ouders waren lagere school leraren. Don Guido voelde zich tot het priesterschap ge­roepen toen hij nog maar twaalf jaar oud was. Dat was aan het eind van de Eerste Wereld­oorlog. En hij ging toen naar het semi­narie. Tijdens zijn seminarietijd kreeg hij de eerste voorspellingen over zijn toe­kom­stige dagen als ‘profeet’. In 1922 pro­fe­teerde St. Johannes Calabria aan de rec­tor van het seminarie, waar de jonge Guido toen bijstond, dat hij als oudere man een boek zou schrijven over de bijbelse Gene­sis. Zes jaar later, toen Guido in zijn twee­de theologiejaar was, deed een charismatisch priester uit Bolivia, de eerwaarde Mateo Crawley, een voorspelling over hem ten overstaan van al de aanwezige pries­ters, dat hij openbaringen van de Heer zou krijgen over duistere punten die betrekking hadden op Genesis. Bij die gele­genheid voorspelde Mateo Crawly ook dat een andere semi­narist, Albino Luciani gehe­ten, tot de hoogste rangen van de kerkelijke hiërarchie zou opklimmen, maar dat dit he­laas van heel korte duur zou zijn.[1]) Na nog eens vier jaar, aan de vooravond van zijn priester­wij­ding, spoorde zijn mentor hem aan om “de Heer te danken als Hij hem het ge­heim van de erfzonde zou hebben geopenbaard, omdat wij dankzij die kennis een volledig begrip kunnen krijgen van de verlossingseconomie.”

Als priester in zijn eerste parochie kreeg hij een onverklaarbaar en onverwacht be­zoek van Teresa Neumann, de welbekende Duitse mystica, die hem vertelde dat de Heer een groot plan van zijn Barmhartigheid voor hem had, en zij raadde hem aan alles op te schrijven. Zij voorspelde hem ook een leven van groot lijden.

Maar er is meer. In 1945 toen hij parochiepriester was in Casso, gebeurde er iets uitzonderlijks. In de geest en 18 jaar voordat het plaatsvond zag hij met alle tragische details de catastrofe van de Vajontdam.[2]) Hij waarschuwde de burgemeesters en paro­chie­priesters van de betrokken plaatsen, maar omdat de dam nog niet bestond, zag nie­mand het gevaar. Men nam hem niet serieus en zijn brieven werden vernietigd. Boven­dien raakte hij onder collegapriesters bekend als ‘die visionair’ en werd hij sindsdien nogal vreemd bevonden.

In 1972, toen hij ontmoedigd was geraakt en zich zorgen maakte over het gebrek aan medewerking van de parochie in Chies d’Alpago en hij zichzelf als een morele mis­lukking zag, bezocht de Heer hem met een langdurig visioen waarin Don Guido de schepping van het heelal zag en ook de eerste Mens in zijn natuurlijke omgeving; ten­slotte zag hij de geboorte van de eerste Vrouw die de Heer had voorbestemd om de legitieme partner van de Mens te zijn. Tevergeefs trachtte hij zijn ervaring met zijn overste te delen, maar het bleek dat niemand bereid was zich te verdiepen in wat zulk een onge­loofwaardig verhaal leek.

Er waren andere en kortere visitaties waarin Don Guido de erfzonde zag, het doodgaan van Abel; hij zag ook de afstammelingen van Kaïn, van hem die de eerste hybride mens was, wat wij tegenwoordig allen zijn.

Don Guido stierf op 84-jarige leeftijd na zich een leven lang aan zijn priester­lijke taak te hebben gewijd en aan de bestudering van zijn persoonlijke interesses: archeo­lo­gie, paleontologie, anthropologie, genetica en alles wat verband houdt met het ontstaan van de aarde en van de mensheid. In het begin werd zijn belangstelling voor deze ge­bie­den getrokken door de verschillende profetieën die hij had ontvangen, een be­lang­stel­ling die later door de wens werd gevoed een correcte interpretatie te ge­ven aan de ont­vangen ‘openbaringen’.

Hij bracht zijn laatste levensjaren door in een rusthuis na ontelbare vernede­ringen te hebben ondergaan door zijn oversten en collega priesters. Hij heeft de vol­doening niet mogen smaken te zijn geloofd of zijn geschriften in drukvorm te hebben zien uitkomen. Die werden pas na zijn dood verzameld en uitgegeven.

Het Visioen van Don Guido

In het midden van de nacht, het was 14 augustus 1972, of zo u wilt in de vroe­ge ochtend van de 15e op het feest van Maria ten hemelopneming, kreeg Don Guido, toen 65 jaar oud, een onver­wacht bezoek van een engel. Die wekte hem en be­reidde hem voor op de komst van Onze Lieve Vrouwe alsook van de eerste Vrouw. De ene maakte zich bekend als “de Moeder van Jezus en de Moeder in de Geest van alle ver­losten” en de andere als “de natuurlijke moeder van de zonen van God”. Het hoeft geen betoog dat Don Guido hier erg verbaasd over was.

Ze vroegen hem zijn Bijbel ter hand te nemen. Niet de meest recente die uit drie delen bestond en in de buurt lag, maar de Bijbel met het commentaar van de priester Marco Sales, waarbij het Oude en Nieuwe Testament in één deel waren samengebon­den. Zo werd de onafscheidelijkheid van beide delen benadrukt. Het on­der­streepte ook de bewering van Sales dat de bijbelse Genesis aan Mozes moet worden toege­schre­ven, een gegeven dat door sommige moderne bijbelgeleerden wordt ontkend. Toen de twee vrouwen zich terugtrokken, verscheen de Heer die zich als “Ik Ben” presenteerde.

De Heer wijst onmiddelijk op een fundamenteel aspect: “Deze nieuwe openba­ring vervangt niet de Mozaïsche Genesis, maar neemt die in zich op en ver­dui­delijkt die.” En gaat Hij verder: “Ik zal je leren om in dat boek de dingen die je niet begrijpt tussen de regels door te lezen [en aldus] aan Genesis een juiste uitleg te geven”.

De Eerste Mens

Het visioen vangt aan met een landelijk tafereel. Een bijzonder knappe en lenige man, de Jongeman, is bezig een honingraat te plukken om naar het vrouwtje van de voormenselijke soort te brengen, die op het punt staat het Meisje te baren, die na­der­hand als zij groot is geworden zijn legitieme partner moet worden. Verder in het ver­slag zal de Heer uitleggen dat de pasgeborene de vrucht is van een nieuwe creatie waar­van de eerste cel door de Heer in de uterus van dat vrouwtje werd geïmplanteerd, die hier als surrogaatmoeder fungeerde. Dat vrouwtje was van een soort die aan de menselijke soort voorafging. Eenzelfde gebeurtenis had vóór de geboorte van de Jongeman plaatsgevonden, die zich nu op de blijde gebeurtenis voorbereidt. Het tafe­reel dat de Heer openbaart, vindt in een gebied plaats tussen de Zwarte en Caspische Zee, niet ver van het tegenwoordige Ninivé. De gebeurtenis situeert zich aan het eind van de Eocene periode ter afsluiting van de schepping van de grote zoogdieren.

Het woonoord is heel mooi. Het ligt in het voorgebergte van de hooglanden en is rijk aan vegetatie. Het strekt zich uit naar een grote vlakte die bedekt is met rijpende en spontaan opgroeiende graanachtige gewassen. De zon staat hoog en de hemel geeft een serene aanblik. De Jongeman heeft duidelijk heel wat werk verzet als we zijn huis in ogenschouw nemen dat hij halfopwaarts in een ruimte tussen twee natuurlijke richels heeft gebouwd met muren van mergelsteen die helemaal vlak zijn en loodrecht omhoog staan. Hij heeft door middel van holle bamboestokken water in het huis geleid. Hij had ook met gebruik van leren riemen en scherpe stenen en dijbenen van dieren een aantal werktuigen gemaakt. In het huis staan een houten tafel en stoelen en er zijn verschillen­de kommen die van de schedels van graseters zijn gemaakt waarvan hij de oogholtes met pek had dichtgesmeerd.

Aan de muur hangen een aantal zakken van dierenhuid en op tafel liggen schra­pers om dierenhuiden te villen, en ook priemen. Dat alles was keurig gerangschikt. Er was ook een soort bijl die bovenop een kastje lag. De deur was van gewoven riet en er wa­ren twee raamachtige openingen waardoor licht in huis viel. We moeten niet ver­baasd staan over de aanwezigheid van dit ingenieus handwerk, want de Man, de eerste Mens, was nog niet met de erfzonde belast, maar was volmaakt. Hij was dus uitzon­der­lijk intelligent, meer dan enig moderne wetenschapper die onvermijdelijk in zich­zelf de door de erfzonde veroorzaakte ge­breken draagt, zelfs als we ze niet kunnen onder­schei­den, want er bestaat geen vergelijkingsmodel. Het spreekt trouwens vanzelf dat het God was die hem taalvaardigheid en het gebruik van vuur had bijgebracht.

Het tafereel gaat verder en richt zich op de voormenselijke familie in de vallei, waar een vrouwtje verblijft die op het punt staat te baren. De Heer noemt deze beesten ‘voorouders’, en Hij nodigt Don Guido uit hun lichamelijke kenmerken te bestuderen. Het zijn geen echte apen, in elk geval niet zoals wij die kennen. Hun soort is inmiddels uitgestorven, of beter, het zuivere ras bestaat niet meer door hybridisatie met de mense­lijke soort. Hun voorouderlijke kenmerken hebben wij in onszelf opgeno­men, maar in verzwakte vorm als gevolg van veelvuldige selectie. Want in onze dagen zijn we allen de vrucht van die kruisbevruchting die de ‘erfzonde’ wordt ge­noemd. We zullen daar later op terugkomen.

Het uiterlijk voorkomen van deze voorouders was uitgesproken lelijk. Ze waren net iets meer dan een meter lang en stonden rechtop, de huid was roodachtig en spaar­zaam bedekt met borstelig zwart haar. Hun korte poten besloegen ongeveer een derde van hun totale lengte. Hun armen reikten tot aan de kuiten terwijl hun voeten klein en stomp waren. Ze hadden brede schouders en smalle heupen. Hun aangezicht was plat met een laag voorhoofd waaronder wijd open neusgaten in plaats van een neus. Er was geen kin en de mond was breed en reikte bijna tot aan de oren. De mannetjes hadden lange puntig gevormde oren die rechtop stonden en zo’n 5 tot 6 centimeters boven hun platte sche­del uitstaken. Als ze voortbewogen flapten ze op en neer. Ze leken meer op de lange oren van een of ander schaap. Het waren gehoorzame tamme beesten die ge­schapen leken te zijn om de mens bij hun zware veldarbeid te helpen of bij andere een­voudige taken zoals stenen sjouwen. Hun ogen hadden haast een menselijk soort uit­drukking, en ze waren natuurlijk slimmer dan honden. De toon van hun stem wijzig­de om aan te geven wat ze wilden, ze konden niet praten. De Heer noemde hun soort de ‘wilde boom’ om onderscheid te maken met de menselijke soort die de ‘boom des levens’ werd genoemd [in geestelijke zin]. De aardse tuin, of het paradijs, besloeg de gehele aarde want de gehele schepping leefde in onderlinge harmonie.

Na dit landelijk tafereel, waar we later in dit verhaal op terugkomen, verandert het visioen radicaal en toont God aan Don Guido de schepping van het heelal, de ster­ren, de aarde, de maan en het ontstaan van het leven hier op onze planeet. Tegen een zwarte achtergrond verschijnt een hoofdletter A, enigszins schuin geschreven, wat de Heer de ‘Alfa’ noemt, die symbool staat voor de Schepper. Naast deze A staan zes pun­ten in twee groepen: de eerste groep bestaat uit vier en de tweede uit twee punten. Deze symboliseren de zes stadia of scheppingsdagen. In de zwartheid van de hemel ver­schijnt een open hand die roze-achtig is en transparant [om Gods creatieve werk uit te beelden]. Vanuit de palm van die hand komt een vonkenregen die langs de vingers in geometrische patronen uiteen waaiert. In allegorische voorstelling zijn dit de subato­maire deeltjes die in het Mozaïsch scheppingsverhaal eenvoudig ‘licht’ worden ge­noemd. Deze markeren de schepping van ruimte en tijd als de twee onmisbare ingre­diënten, waardoor de gehele schepping kan bestaan. Dit is het eerste stadium of de eer­ste dag. Aan dit ‘begin’ ging het oneindige niets vooraf, de duisternis: koud, zwijgend en on­doordringbaar voor zowel licht, hitte of geluid, indien die al zouden hebben be­staan. Alleen God bestond in onmetenlijke oneindigheid; pure Gedachte die voor onze door de erfzonde beperkte geest ondenkbaar is.

Toen de omgeving vol was van deze rondzwermende vonken, verdween alles en werd het opnieuw donker. Toen verscheen een stipje dat continue een intens wit licht uitstraalde. Rondom die stip vormden zich andere lichtgevende witte stipjes. Toen hun aantal toenam gingen ze op ordelijke manier rond de oorsponkelijke stip draaien, ter­wijl ze in een uitdijende spiraal naar buiten dreven. Dit was het tweede stadium of de tweede dag. Dit stadium omvatte de schepping van het atoom en de daarmee verband houdende materie waar de sterren in het heelal en alle elementen uit bestaan.

De oerknalgedachte spreekt dit visioen niet tegen omdat deze gedachte de nadruk op het tweede gedeelte van het proces legt. De oerknal verklaart het onstaan van ga­laxieën, maar geeft niet aan waar de energie vandaan kwam die tijdens de oerknal in materie werd omgezet. Dat wordt hier in het eerste scheppingsstadium verklaard.

In de stroom witte sterren ziet Don Guido in zijn visioen een ronde massa te­voor­schijn komen. Deze is groter dan de rest en wordt nu door een rood uiziende bol ge­troffen, die licht afgeeft en vonken. De twee zijn even groot met dit verschil dat de rode een lange wit-blinkende staart heeft. Het is dus een komeet. Na de inslag ver­dwij­nen beide in een zwarte wolk uit het zicht.

Bij het uiteendrijven van de zwarte wolk komt de aarde tevoorschijn als een opaal-witachtige bol. De aarde was nog steeds kaal en zonder water, bergen en val­leien. Het oppervlak is overal identiek, uitgezonderd een ijskegel op de noordpool met twee cirkelvormige wolken die de top bedekken. De zuidpool is wijdopen en vlak. In plaats van een ronde bol leek de aarde meer peervormig te zijn, wat betekent dat de gloeiende kern zich niet in het centrum bevond maar in de richting van het zuidelijk halfrond. Door de extra hitte die dit veroorzaakte, waren er grote spanningen in de aardkorst waardoor deze dunner werd en de gloeiende massa binnenin moeilij­ker kon vasthouden. Dit was het derde stadium of de derde dag.

Dan begint de nog steeds kale aarde plotseling heftig te bewegen en schudden. Aan de achterkant vindt een explosie plaats in een regio die overeenkomt met de Stille Oceaan. Enorme stukken aardkorst worden in de lucht geworpen, een tumultueuze en gigantische rookwolk met zich meeslepend. Na uitzonderlijk hoog te zijn gesmeten vallen som­mige van deze massa’s op de aarde terug en vormen op die manier kraters en hoge bergen. Een deel valt niet terug. Deze gigantische zwevende massa’s worden door hun onderlinge aantrekkingskracht naar elkaar toegetrokken en zo vormt zich ten­slotte de maan. Dit is het vierde stadium.

Twee van de directe gevolgen van de explosie waren een verschuiving van de aardas – wegens de initiële tegenkracht – en het in gang zetten van de continentale drift, in een spontane reactie om de angstwekkende afgrond te dichten die door de explosie was veroorzaakt. Met de toevloed van water onstond alzo de Stille Oceaan. Op de randen van de afgrond glijden gigantische brokken aardkorst in de immense kra­ter terwijl aan de keerzijde van de aarde een plotselinge formatie onstaat van diepe ravijnen die in de dwarsrichting lopen van de noord-zuid as, gekend als de Mid-Atlantische Rug die zich van de Noord- tot Zuidpool uitstrekt. Daaruit ontstond het S-vormig bekken van de Atlantische Oceaan. Met iedere volgende explosie in belen­dende percelen van de Stille Oceaan [opnieuw het voorwerp van beroering omdat deze door het nieuwe litteken kwetsbaar was gemaakt en vatbaar voor verandering] groeien de zojuist besproken ravijnen – aan de keerzijde – tot de Atlantische Oceaan uit.

De andere groep punten, die door een kleine afstand van de eerste vier waren gescheiden, betreffen de vijfde en zesde scheppingsdag. Dat wil zeggen, de schepping van het planten- en dierenrijk, die symbolisch op de vijfde dag zijn verenigd. En dan vindt op de zesde dag de schepping van Man en Vrouw plaats. In dit laatste stadium introduceert God het geestelijk element, de ‘omega’ die de zonen van God symboli­seert.

Na dit panorama dat de gehele schepping overzag, keert het visioen naar het punt terug waar het een aanvang nam. We zijn weer bij de scène toen de ‘vrouwelijke voor­ouder’ op het punt stond het Meisje te baren, de eerste Vrouw. Het is de zesde dag. Het toneel van de geboorte zelf wordt in allegorische beelden getekend om Don Guido’s gevoeligheid te sparen. De pasgeborene moest het laatste meesterstuk van de schepping zijn, of om in de taal van de ongelovigen te spreken: de vertex van het phylum van de soort. Hierna zouden er geen nieuwe soorten meer ontstaan.

De Heer noemt deze vrouw een ‘brug’, een term die Don Guido niet begreep en daarom legt de Heer uit: “Zij had een ‘hoofd van een brug’ moeten zijn, maar de mens, aanmatigend en ongehoorzaam, zorgde dat zij een ‘brug’ werd – een brug tussen de twee soorten, dat wil zeggen tussen de pure en legitieme zonen van God en hun voor­ouders.” Don Guido zou deze uitleg pas aan het eind van de ‘openbaring’ volledig begrijpen. Hij vatte het in de volgende woorden samen: Het ‘hoofd van een brug’ was het vrouwtje van om het even welke soort wiens uterus door God werd benut voor zijn creatief werk. Het was voor de foetus een soort incubator en vroed­vrouw. Van de pseudo- of surrogaat-moeder ontving het geen enkele gen omdat het een totaal nieuwe schepping was. [Het ‘hoofd van de brug’ is hier de funderingspijler aan het begin van een brug waarop de boog rust die naar de overkant gaat.]

In plaats daarvan verwijst de term ‘brug’ naar die vrouwelijke voorouder die twee jaar na de geboorte van het Meisje gemeenschap had met de ongehoorzame mens. Door de overdracht van haar eigen genen kon zij een brug vormen tussen de twee soor­ten. Hierdoor werd een hybride zoon gecreëerd, Kaïn genaamd. Op deze manier werd gestalte gegeven aan de nieuwe hybride en illegitieme menselijke soort, bekend staan­de als de ‘zonen van de mensen’ of eenvoudiger de ‘zonen van de Mens [Adam]’ – Adam betekent in het Hebreeuws ‘mens’. Tijdens dit voorval is God, die zijn werk had beëindigd, niet tussenbeide gekomen om nieuwe gameten te scheppen. Immers, de schepping van de twee voorouders van de volmaakte menselijke soort was reeds vol­bracht. Door de illegitime en hybride zoon werd de mens drager van ernstige gebreken. Alhoewel Kaïn net als zijn vader 46 chromosomen had, kwam zijn lichamelijk gestalte overeen met die van zijn beide voorouders en was zijn intelligentie heel beperkt, zijn spraak gestoord en derfde hij de Geest Gods, want zijn beestachtige trekken maak­ten hem onbekwaam om de gaven van de Geest te hebben.

Meer dan twaalf keer bevestigt de Heer in de Mozaïsche Genesis dat elke soort zich naar zijn eigen soort moet vermenigvuldigen. Ter bescherming van de soort was dit het enige gebod dat Adam kreeg. Maar Adam was ongehoorzaam. Is dit geen waar­schuwing, zelfs in onze tijd, nu geleerden opnieuw trachten deze barrière te door­breken? God schonk al zijn goederen aan de mens en voor zichzelf behield Hij alleen het recht op het leven en zijn veelvuldige aspecten: conceptie, geboorte en dood. In de overtreding van dit gebod onstonden alle problemen die de mensheid sindsdien heb­ben gekweld, en zo zal het opnieuw zijn (indien de genetische overtre­dingen aanhouden).

Bovendien besefte Don Guido een ander belangrijk zaak over de Mozaïsche Genesis, waarin staat dat de erfzonde door Adam en Eva was begaan. In aanmerking nemend dat de vrouwelijke voorouder, die door de Heer een ‘brug’ wordt genoemd, het­zelfde vrouwtje was dat Don Guido met Adam zag zondigen, is zij het die we altijd Eva hebben genoemd. Eva is daarom niet Adams legitieme vrouw, maar zijn partner ter gelegenheid van die zonde. En dit brengt ons bij de mondelinge Hebreeuwse tradi­tie, waarin sprake is van de twee vrouwen van Adam, de ene Lilith [Eva] ge­naamd, die monsters en demonen voortbracht [de hybriden], en de andere [de Vrouw] die mensen voorbracht [de zonen van God]. En omdat Eva tot de voorouderlijke soort behoorde en als beest onderhevig was aan de impulsen die van haar vrucht­baar­heids­cylus af­hing­en, kan zij voor deze daad niet verantwoordelijk worden gesteld. Daarom, indien zij voor deze zonde geen schuld droeg, valt de verantwoordelijkheid uitsluitend op Adam. In feite zegt St Paulus in zijn brief aan de Romeinen uitdrukkelijk dat de schuld alleen bij hem lag (Rom. 5:12-19).

Zoals door de fout van slechts ‘één’ de dood in de mensheid heerste [geestelijke dood en opeenvolgende uitroeiing van de zuivere menselijke soort van de zonen van God], is daarom door de verdiensten van slechts ‘Eén’, Jezus Christus, voor hen die de Genade ontvangen de gerechtigheid gekomen, of de verlossing – of om met de woor­den te spreken van de heilige vader Benedictus XVI in een van zijn predikingen, die van 3 december 2008: “zijn zij geestelijk geregenereerd”.

‘Eva’ is eigenlijk geen correcte naam maar een atribuut in de betekenis van ‘moeder van alle levenden’ (Gen. 3:20). Zij was niet zijn echte vrouw, maar fungeerde in de erfzonde als Adams partner. Voor Adam en de Vrouw was zij daarom een sur­rogaatmoeder, maar voor Kaïn de echte moeder. Via hem nu werd zij voor de tijd waarin wij nu leven de stammoeder van allen. Het is als volgt: door deze zonde zijn wij tegenwoordig allen ‘zonen van Eva’ aangezien ieder afzonderlijk van Kaïn afstamt (hetzij direct of indirect).

Uit dit alles mogen wij afleiden dat de eerste Vrouw, die ten tijde van de erf­zonde ongeveer twee jaar oud was en later toen zij groot was geworden Adams recht­matige vrouw werd, totaal niets te maken had met de erfzonde. Daarom dient zij te worden gerehabiliteerd. De Heer benadrukte: “Weet wel dat zij onschuldig is!”

Eva zag er onaantrekkelijke uit. Zij was het enige vrouwtje van haar soort met een gladde witte huid, wat God met opzet zo had geschapen om haar lichamelijk tussen de voorouderlijke en de menselijke soort in te laten staan om op die manier misschien beter als verzorgster en moeder te kunnen optreden. Zij leek op de leden van haar eigen soort omdat ze klein was [slechts iets langer dan een meter]. Ze had korte benen en lange armen en handen. Haar romp en borst geleken op die van een vrouw. In Don Guido’s visioen zat ze na de bevalling in zittende houding en omarmde het kind in haar armen. De gelaatsuitdrukking was er een van tevredenheid. Ze had grote enigszins uit­puilende ogen, maar toch was er iets in haar voorkomen dat menselijk leek. Ze gaf in­druk tevreden met zichzelf te zijn, onderwijl omlaag kijkend naar het kind. Haar bre­de mond had dunne lippen en weken terug tot aan de achterkant van het kaakbeen. Al etend droop de honing uit haar mond. Die honing kwam uit de honingraat die de Jonge­man reeds eerder voor haar had gehaald. Door haar platte gehemelte kon Eva als zij at geen voedsel binnenhouden… geen prettig gezicht om te zien. Als ze haar mond open­de kon je al haar tanden zien die er gezond uitzagen, wit en regelmatig. De hoek­tanden waren langer dan de rest, als bij een slang. Eufemistisch en met zekere ironie noemde de Heer haar de ‘slang’ als symbool van haar slimheid en intelligentie die hoger waren dan van alle andere dieren. Net als haar soortgenoten maakte ze gelui­den door haar lange puntige tong naar buiten te steken, waardoor ze geen woorden kon vormen. De tong scheen aan de achterkant van haar keel te zijn vastgehecht.

Zij had het begin van een neus, maar die ontbrak geheel bij haar soortgenoten. Ze had ook geen kin. Haar donkere half doorschijnende haar dat boven haar ogen be­gon en haar lage voorhoofd bedekte, ging tot aan de achterkant van haar nek door. Vanuit het haar staken haar oren aan de zijkanten van haar hoofd naar buiten toe. Ze had hoekige schouders en rozeachtige wangen.

Als zij er zo onaantrekkelijk uitzag, wat kon de ‘Man’ ertoe hebben gebracht om twee jaar na de geboorte van het Babymeisje die zonde te doen, een misstap met zulke ernstige gevolgen? Het kon zeker geen eenzaamheid of seksuele drift zijn geweest, in aanmerking nemend dat hij, de volmaakte mens, niet door dat soort impulsen werd be­heerst, die de gekwetste mens, getekend als hij is door de erfzonde, heen en weer slingeren. Wat meespeelde was het idee andere mooie kinderen te verwekken voort­komend uit die ene vrouw. Zij had reeds tweemaal bewezen een goede ‘producent’ te zijn; eerst had zij hemzelf geboren laten worden en nadien het Babymeisje. Maar dat was niet de enige reden, want het gaf de mogelijkheid om ‘los van God’ een familie te stichten. God wil voor al Zijn Kinderen een geestelijk Vader zijn; Adam echter wilde zijn eigen kinderen hebben en alleenheerser zijn over zijn nageslacht alsook over de door God aan hem toevertrouwde aarde. Met deze opzet wilde hij de aarde besturen en van zijn vruchten genieten. Hij kon niet hebben geweten dat God door een speciale in­ter­ventie in Eva’s baarmoeder de eicel van de menselijke soort had geschapen, ge­reed staande voor de conceptie van het Babymeisje. Hij veronderstelde dat zijn zaad alleen voldoende was om nieuw leven te scheppen in de trant van een zaadje dat in de aarde valt en ontkiemt.

Aldus vertegenwoordigt de figuur van de wilde genealogische boom Eva’s voor­ouderlijke afkomst. Toen hij Eva in zijn slaap ‘bekende’ was zij voor Adam de ‘boom van kennis van het goede’. Naar Gods wil is toen het Babymeisje ontstaan. Later werd het de ‘boom van de kennis van het kwaad’ toen Adam op eigen initiatief seksuele betrekkingen met haar had. Daar dit niet volgens Gods plan was, onthield God hieraan zijn creatieve bemoeienis. Adams val werd dus door arrogantie veroorzaakt, door trots, zelfgenoegzaamheid, ongehoorzaamheid en opstandigheid.

De slang Eva was, zonder dat zij zich dat zelf realiseerde, de ‘vislijn’ die voor Adam uitstond. Hij bezweek voor de verleiding om in concurrentie met God zijn eigen mooie kinderen te maken, …en hij hapte toe.

De uitdrukking ‘boom van kennis van goed en kwaad’ dient in bijbelse zin te worden opgevat, waarbij ‘boom’ voor ‘genealogische boom’ staat en ‘kennis’ en ‘eten’ voor ‘generatieve [seksuele] betrekkingen’. Hetzelfde woord staat in deze betekenis in het Evangelie van Lukas, waar Maria aan de aartsengel Gabriël zegt dat zij geen ‘ken­nis’ heeft aan een man.

Voordat de erfzonde plaatsvond waren seksuele betrekkingen tussen Adam en Eva in Gods plan voorzien. Dat vond effectief plaats toen Adam in diepe slaap was verzon­ken, zodat hij zich daar later niet meer van kon herinneren en het daarom ook niet zou willen herhalen. Zo werd het Babymeisje verwekt. De Bijbel wijst op Adams rib, dat wil zeggen op zijn zaad. In deze delicate situatie was het God zelf die binnenin Eva’s baarmoeder een perfecte gameet van de zuivere soort van de zonen van God creëerde. Samen met Adams gameet leidde dit tot het leven van de eerste cel van het allermooi­ste kind. In aanmerking nemend dat Eva niet aan de conceptie deelnam mid­dels haar eigen voorouderlijke chromosomen, betekende dit dat deze vrucht, de ‘Vrouw’ gehe­ten, in wezen goed was. Evenwel, betreffende de ‘boom van kennis van kwaad’, nam Eva aan de conceptie met haar eigen chromosomen deel die daardoor geboorte gaven aan een kwade vrucht, Kaïn geheten. Volgens de wetten van Mendel werd dat een kruising tussen twee soorten, een product zijnde van hybridisatie. De ‘boom van kennis van goed en kwaad’ werd voorbij de grenzen van Gods plan ‘ge­kend’ en ‘gege­ten’. De vrucht die daaruit onstond werd drager van de dood en het ele­ment dat de lichamelijke en psychische integriteit van de mens aantastte. Gaande­weg dreef de hominide staat van de hybriden de andere soort uit. Hun toenemende getals­sterkte kwam uit een gro­te­re vruchtbaarheid voort ten aanzien van de pure zonen van God.

Het verdorven bloed zou “de demoon voor de mensheid” worden, zei de Heer, want het vergiftigde zowel het hybride nageslacht van de zonen van de Mens, dat on­derhevig was aan involutie, alsook de legitieme afstammelingen die in de loop der tijd als zuivere soort werden uitgeroeid omdat het genetische kruisingen aanging met hy­bride vrouwen. De suprematie van de hybride soort werd daardoor in de hand gewerkt. Dit verklaart het raadselachtige vers van Genesis 6:2 waarin staat dat de zonen van God zien dat de dochters van de zonen van de mensen mooi zijn [omdat hun uiterlijk meer geleek op hun patriarchale voorvader]. En dat leidde ertoe dat ze daar naar eigen goeddunken vrouwen uitkozen, die slaaf werden of concubine. Zo werden beide stam­men verdorven. Dit leidde ertoe dat de Omega een misbaksel werd. De Omega staat hier symbool voor de genetisch perfecte familie van de legitieme zonen van God die wij reeds tegenkwamen in de zesde-dags-schepping, verafbeeld door de laatste van de zes stippen. Zoals het de Alfa betaamt, ontving het Gods Geest. In Jezus zou de Omega wederopgericht worden. Dankzij de Verlossing kan Gods Geest over de ver­losten wor­den uitgestort, en wel ten tweede male. En zo worden zij Gods adop­tieve kin­deren.

Het Babymeisje groeit op en is ongeveer drie jaar oud als Kaïn wordt geboren. Als Adam ziet dat Eva geboorte geeft aan wat op een voorouderlijk jong gelijkt, “wor­den zijn ogen geopend” en doorziet hij zijn fout. Nadat Kaïn is gezoogd stuurt hij Eva weg. Het was dus niet God die Adam wegzond, maar ‘meester Adam’ die Eva weg­zond.

De Vrouw en Kaïn groeien samen op onder hetzelfde ouderlijk dak. Toen de Vrouw ongeveer vijftien jaar oud was, geeft zij geboorte aan Abel die even mooi en volmaakt is als Adam en de Vrouw, zoals nadien ook al hun genetisch zuivere en directe afstammelingen, de ware zonen van God. Gedurende veel generaties wer­den die naar het beeld en gelijkenis geboren van hun voorzaat Adam. Toen was nog geen sprake van een algemene aantasting door het hybride bloed. Dit toont aan dat de erfzonde genetisch wordt doorgegeven of ‘biologisch’ [zie preek van paus Benedictus XVI van 10 dec. 2008] en dat verklaart waarom Don Guido zei dat wij geen schuld dragen voor de erfzonde, maar slechts de ‘gevolgen’ van die schuld.

Een nieuw scenario ontvouwt zich. Vooraan het huis zitten op een bank met hun rug naar de muur toe: Kaïn, 15 jaar oud; de Vrouw, 18 jaar oud – die van Seth in ver­wachting is; de Man, 33 jaar oud; en Abel, 3 jaar oud. Ze gebruiken een eenvoudig avond­maal waaronder verse eieren en appels. Kaïn brengt het fruit dat hij verzameld had en uit appels bestond, en Abel, die voor de kippen zorgt, brengt de eieren. De appels zien er goed uit, maar zijn van binnen verrot [ze waren van onder de boom ge­raapt en niet rechtstreeks van de boom zelf]. Abel bijt in zijn tweede rotte appel en gooit die minachtend naar Kaïn toe en raakt zijn hoofd. Dan gaat hij naar de boom toe om enkele goede appels te plukken. In woede ontstoken en beledigd jaagt Kaïn hem achterna. Het geschreeuw van het knaapje is duidelijk hoorbaar. Zijn vader wenkt naar zijn moeder om te gaan kijken wat er plaatsvindt, maar nadat de Vrouw enkele stappen heeft gezet, krijgt ze geboorte­weeën en valt neer op de grond. Haar man helpt onmid­delijk. Terwijl de vader bezig is met de geboorte van Seth, blijven de twee broers alleen. Als de vader later bij hen komt, vindt hij Abels dode lichaam op de grond lig­gen terwijl de voorouderlijke jonkies in ontzetting om hem heen staan. Dezen waren hem te hulp geschoten toen ze zijn geschreeuw hoorden. Adam is als versteend. Door de schok krijgt hij wit haar. Wat is er gebeurd?

Toen de voorouderlijke jonkies Abel hoorden schreeuwen, schoten ze hem te hulp. Kaïn misbruikte hem. Alhoewel ze het knaapje wilden redden, hebben ze in hun poging de twee broers van elkaar te scheiden en Abel uit Kaïns greep te bevrijden, zijn ledematen ontwricht wat tenslotte zijn dood heeft veroorzaakt. Het schouwspel is afschuwelijk. Kaïn moet zijn slachtoffer wel loslaten. De jonkies probe­ren hem te laten staan, maar hun pogingen halen niets uit omdat hij al dood is. Een vol­wassen voor­ouder, die uiteindelijk arriveert, tilt hem voorzichtig op en is net bezig hem op het veld neer te leggen als zijn vader aankomt.

Don Guido merkt op dat de genetisch zuivere voorouders [de niet-hybriden] goed waren en tam, en zich trouw opstelden tegenover de Man en zijn kinderen. Alleen Kaïn is door zijn genetische afwijkingen slecht en jaloers en niet in staat de furie van zijn instincten te bedwingen. Hij is bovendien seksueel ontaard.

Adam bedwingt zijn emoties, maar als hij alleen is maakt hij een afschuwelijk smalend gebaar naar de Heer toe alsof hij Hem toewerpt dat hij niet van zins is nog meer kinderen te maken omdat – volgens hem – God zijn legitieme zoon had moe­ten beschermen. Het kwam niet bij hem op dat hij door God buiten te sluiten hij al zijn kinderen in een moeilijk parket heeft ge­bracht. Door zijn euvele daad kon God niet tussenbeide ko­men, want altijd respecteert Hij onze vrijheid van handelen.

Seksuele afwijkingen zijn dus op genetische defecten gebaseerd. Kaïns zonde was drievoudig: het was broedermoord, homoseksualiteit en pedofilie. Als gehandicapt individu kon hij niet geheel verantwoordelijk worden gesteld. In dit geval trof zijn vader de grootste schuld – zo gaf de Heer aan – omdat hij ongehoorzaam was geweest en het enige gebod had overtreden dat Hij hem gegeven had, wat inhield dat hij met anderssoortige wezens geen generatieve betrekkingen mocht onderhouden. Genoemde verordening wordt in het begin van de Bijbel minstens twaalf keer herhaald. Het was een waarschuwing voor hem en alle zuivere zonen van God die na hem ter wereld kwa­men. Die deden echter dezelfde fout.

Het tafereel wijzigt. Don Guido ziet een aantal hybride exemplaren. Het is reeds een aantal generaties verder. Ze zijn van plan een pallisade te bouwen waartoe ze aanwij­zingen krijgen van de zuivere zonen van God. Deze hybriden kunnen spreken, iets wat hun voorouders niet konden, en ze beschikken over een zekere logica en ook hun be­wegingen zijn soepeler. Lichamelijk verschillen ze niet zoveel van hun voor­ouders be­halve dat ze iets langer zijn. Ze hebben wat we zouden kunnen aanduiden als het begin van een neus dat hun neusgaten gedeeltelijk overdekt. Toch hebben ze nog steeds die lange oren die aan de bovenkant van hun schedel uitsteken en nog steeds hebben ze die bijzonder lange armen en korte benen.

Don Guido keert zich naar de Man toe die aanvoerder is en de hybriden aan­wij­­zingen geeft, en merkt op: “Wat een ijverige dieren!” Een van de harigen hoort dat en keert zich naar Don Guido toe en zegt: “We zijn allen dieren”, waarmee hij zeggen wil dat ook Don Guido een dier is. Don Guido antwoordt: “Hij begreep wat ik zei! Hij praat als een mens!” “Ik bén een mens! We zijn allen mensen, zonen van ‘de Mens’!”

Deze woorden helpen ons in te zien dat deze harige wezens echt mensen waren en dat ook wij zonder Gods Geest slechts dieren zijn, zij het wellicht iets intelligenter dan de hybriden die Don Guido voor zich zag, want God had door de erfzonde zijn Geest van hen teruggetrokken (Gen. 6:3). Door deze zonde verloren wij onze positie als kinderen of nakomelingen van ‘de Mens’. Jezus past deze titel op zichzelf toe van­uit een houding van nederigheid en om aan te geven dat Hij onze ellendige menselijke conditie van lijden op zich genomen heeft. Daarmede stelde Hij (tijdens zijn rondgang op aarde) zijn legitieme aanspraak op de titel van ‘Zoon van God’ terzijde, een titel die het Sanhedrin juist als argument aanvoerde om Hem te kunnen kruisigen.

In de laatste openbaring uit 1974 kwamen de twee vrouwen opnieuw naar Don Guido toe: de gezegende Maagd Maria en de eerste Vrouw, terwijl ze verzen uit de vierde canon van de H. Mis zongen: “Zelfs toen hij U ongehoorzaam was en uw vriendschap verloor, leverde U hem [de mens] niet aan de macht van de dood over, maar gaf uw hulp zodat alle mensen U konden zoeken en vinden. (…) Vader, aldus hebt Gij de wereld liefgehad dat U in de volheid der tijden uw enige Zoon hebt gezon­den om onze Redder te zijn.”

Don Guido merkt hierbij op: Nu de mens vanuit de wilde staat opnieuw is geë­vo­lueerd, zijn diens psychologische en lichamelijke kenmerken goeddeels terugge­won­nen. Via een proces van menigvuldige ingrepen op genetisch niveau heeft God de mens gegenereerd. Door dit gedeel­telijk herstel van zijn capaciteiten van kennis en intel­lect, die eens tot de integrale ‘Mens’ behoorden, is hij thans in staat God te kennen en lief te hebben. En thans is hij ge­roe­pen een sprong te maken van een toestand van een op uiterlijkheden reagerende na­tuur [waar natuurlijke instincten de overhand heb­ben] naar die van een transcendente. Zo zal hij bij de ware kinderen van God horen die in geest aanbidden en als God denken, en zich dus ook op Gods wijze uiten, van Hem die liefde is. Alzo mogen zij in gemeenschap met God het eeuwig leven beërven.

***

Overdenkingen en commentaar

Hoeveel theologen hebben in de loop der eeuwen niet vergeefs naar de betekenis gezocht van de uitdrukking ‘zonen van God’! Zegde St Paulus niet in Romeinen 8:19 dat “de hele schepping reikhalzend uitziet naar de openbaring van de zonen Gods” ?

Er zijn twee dingen die hieruit naar voren springen. Ten eerste, dat de openba­ring niet eindigt met de laatste apostel omdat volgens deze woorden er nog een latere open­baring moest volgen. Dat het ten tweede de apostel Paulus zelf is die zegt dat de schep­ping op een latere openbaring wacht, wat het een stempel van gezag geeft. Deze open­baring is essentieel om de passage van Genesis 6:3 te begrijpen, die voor het lezen van de hele Bijbel een sleutel geeft. Het stelt ons ook in staat te begrijpen hoe God de mensheid volmaakt schiep [zie preek Heilige Vader, 10 dec. 2008], maar dat zich door de ongehoorzaamheid van de zonen van God, die in het spoor van Adams onge­hoor­zaamheid traden, de twee parallelle geslachten der zonen van God en die der zo­nen van de mensen [of nakomelingen van Kaïn] met elkaar vermeng­den om samen één geslacht te vormen. Dat nu omvat de gehele mensheid die wij tegenwoordig ken­nen. Het is daar­om dat de gehele mensheid in een [geestelijk] ‘ballingschap’ geraakte en verwij­derd van het rijk van God. En dat verklaart waarom de Verlossing noodzake­lijk was om op­nieuw toe­gang te krijgen.

Sommigen onder u zullen misschien tegenwerpen dat deze openbaring voor be­paalde aspecten te veel afwijkt van de Mozaïsche Genesis, met name voor wat Eva be­treft. In Don Guido’s visioenen had zij niets uitstaande met de erfzonde en zij was daar­om totaal onschuldig.

Dit gebrek aan overeenstemming zou kunnen zijn veroorzaakt door corrupties in de Mozaïsche Genesis in vroeger tijden; eerst door de Jehovist-schriftgeleerden ten tijde van koning Salomon en later door de priester-schriftgeleerden ten tijde van de Babylonische ballingschap en ook nog daarna.[3]) Enig licht schijnt hierop als wij in aan­merking nemen dat de oude mondelinge Hebreeuwse traditie nog altijd over de twee vrouwen van Adam spreekt. Het is niet moeilijk om in Eva Lilith te herkennen. Het geeft ook aan dat delen van Genesis verloren zijn geraakt, zelfs belangrijke delen, en dat sporen daarvan kunnen worden teruggevonden in een aantal schriftuurlijke uitdruk­kingen zoals ‘zonen van God’ en ‘zonen van mensen’.

Het is vooral in dit laatste decennium dat men naar aanleiding van de verschil­lende schrijfstijlen in de Mozaïsche Genesis tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van verschillende auteurs. Maar dat waren hoogstwaarschijnlijk schriftgeleerden en priesters die bepaalde delen van Gods Woord wensten te actualiseren volgens de toen heer­sende opvattingen van hun cultuur… Hier zien wij wellicht zo’n voorbeeld van de eigendunkelijkheid van de mens. Het is in elk geval zeker dat de Mozaïsche Genesis in het begin alle fundamentele waarheden bezat, alhoewel in eenvoudige vorm, en ook dat daarin het ontstaan van de mens op overtuigender wijze uiteen werd gezet. Maar helaas is de oorspronkelijke Mozaïsche tekst niet meer voorhanden.

Toen God aan Mozes de openbaring gaf aangaande het scheppingwerk, moest Hij die aan de cultuur van zijn tijd aanpassen en elke moeilijke redenering zoals over de genetica ontwijken, die dankzij onze moderne wetenschap nu wel kan worden ver­staan. Derhalve moest God vroeg of laat opnieuw tussenbeide komen en aanvullende informatie geven over hoe het precies toeging. Wij geloven dat Hij dit door de door Hem gegeven openbaring aan Don Guido heeft gedaan, waardoor in combinatie met wetenschap­pelijke inzichten de oude metaforen nieuw licht krijgen.

Het zij benadrukt dat de aan Don Guido gegeven openbaringen niet zijn bedoeld om wat resteert van de Mozaïsche Genesis te gaan vervangen. Indien de Heer aan Don Guido deze openbaring gaf, betekent dat geen alternatief voor de Mozaïsche Genesis, maar het wordt daarin geïntegreeerd en biedt ons een sleutel om die te lezen. Het bete­kent ook dat de Mozaïsche Genesis aan rehabilitatie toe is. Er zijn tegenwoordig men­sen die tegen de Mozaïsche Genesis argumenteren. Ik denk aan de evolutionisten die volhouden dat de oorzaak en het ontstaan van de soorten, ja van het leven zelf, in de wet van het toeval moet worden gezocht en niet kan worden toegeschreven aan een God die handelend optreedt. De consequenties hiervan op theologisch gebied zijn ern­stig, omdat de hypothese dat de mens het product is van natuurlijke selectie het prin­cipe aantast dat de Mens op zeker moment in de geschiedenis absoluut volmaakt was. Daarenboven ontkent deze benadering dat de erfzonde hem ‘bio­logisch verdorf’ waar­mee de noodzaak van een Verlos­sing wordt ontzegd, zo­als paus Benedictus heel wijse­lijk in zijn prediking aangaf van 10 december 2008.

Voorts zeggen bepaalde bijbelcritici dat het verbod dat God aan Adam gaf een teken is van Zijn gebrek aan liefde want, zeggen ze, het is een fundamenteel mensen­recht te weten wat goed en kwaad is. Het is evident dat de beeldspraak in de uitdruk­king ‘boom van goed en kwaad’ moeilijk te vatten is. Het gaat hier immers om een ver­borgen betekenis. Hoe vreselijk arrogant en vooringenomen als men het recht meent te hebben zijn eigen begrip van goed en kwaad te vormen, alsof dat relatieve waarden zijn die van tijd en plaats afhangen!

Ook is het zo dat deze critici de gedachte hebben geponeerd dat Genesis een mythe is, die aan de heidense culturen en volken zou zijn ontleend, op grond van be­paalde paral­lellen met geschriften uit de Sumerische beschaving uit een periode stam­mend die aan Mozes vooraf­­ging. Ze bedenken niet dat God tot iemand anders kan heb­ben ge­sproken over hoe de mens ontstond, zelfs nog voordat Mozes op het toneel verscheen, en dat een restant van die leer, zij het verminkt, kan zijn overgebleven in de Sumerische beschaving, een be­schaving die de diepere betekenis daarvan niet inzag.

Weer andere bijbelkenners hebben zelfs het bestaan van Abraham, Izak en Jacob in twijfel getrokken tot Mozes aan toe! Ze zien niet in dat door de geloofwaardigheid van Genesis aan te tasten er over de gehele Bijbel twijfel wordt gezaaid, het Evangelie incluis. Dat laatste wordt op die wijze gedevalueerd tot nauwelijks meer dan een hand­leiding voor ethisch gedrag, waarvan diezelfde bijbelkenners menen dat deze voor onze tijd heeft afgedaan.

Vanuit geschiedkundig standpunt is het genesisverhaal niets dan pure geschiede­nis ten aanzien van de kernpunten over het onstaan van de kosmos, dat van de mens­heid en van het Hebreeuwse volk, want de fundamentele gegevens die daarin ten toon worden gespreid zijn correct. Uit hetgeen ons in het Mozaïsch veslag is toegekomen en uit de totale vertelling aan Don Guido, hebben wij in samenhang met een aanzienlijke hoe­veelheid kennis uit de he­dendaagse wetenschappelijke praktijk een veel grotere zeker­heid ver­kregen over be­paalde facetten, zoals het tijdselement en de regio waar de mens voor het eerst ver­scheen. Derhalve kan worden aangenomen dat het boek Ge­nesis in ge­schiedkundig opzicht in grote lijnen voldoet en heel wat betrouwbaarder is dan de voorhanden zijnde antropologische hand­leidingen. De bestudering van dit boek dient niet te worden be­lemmerd door allerlei vooropgezette ideeën. Ook dienen de verschil­lende disciplines rekening te houden met wat is geopenbaard en hun kennis trachten in te voegen bij wat is uitgestippeld. Concreet houdt dat in dat er een heel lange periode van degeneratie van de menselijke soort heeft plaatsgevonden, die nochtans volmaakt geschapen was, en dat daarna er een enorm lange herstelperiode volgde waarin God de zaak weer recht­trok.

Nieuwe interpretatie van creationistisch model versus natuurlijke selectie

De uitlegging van Genesis, die via Don Guido tot ons is gekomen, is niet iets waarmee een discussie kan worden begonnen ten voordele van de evolutietheorie of zijn tegenpool van het creationisme of van een of andere daartussenin liggende theorie, want alle antwoorden liggen in de verklaring opgesloten van een ‘bemiddelende schep­ping’, die sterk afwijkt van alles wat tot nog toe werd beweerd. En deze verklaring is een­vou­dig, logisch en compleet.[4])

De grote vondst van deze nieuwe kennis is de uitleg van de erfzonde die de mensheid in een involutie bracht, wat doet denken aan een val in een bodemloze put. Deze nieuwe kennis stoot alle theorieën omver die tot op heden aan onze universiteiten werden gedoceerd, en het tast de interpretaties aan van alle vondsten die men als be­langrijke mijlpalen zag. Hoe had een antropoloog kunnen weten of een ontdekking tot de invo­lutie- of de re-evolutiefase behoorde, er vanuit gaande dat de onderzochte gege­vens in slechts één richting wezen? En hoe moesten de hominide groepen worden inge­past, waarvan men altijd had verondersteld dat ze niet tot de menselijke soort behoor­den? Alle antropologische boeken dienen daarom te worden herzien.

De reden daarvan – en dit vormt een nieuwe ontdekking – is dat de Mens niet enkele miljoenen jaren geleden werd geschapen, maar enkelen tientallen miljoenen ja­ren geleden, in de laat-Eocene periode.[5]) Betekent dit dat God zich heeft vergist of dat Don Guido het verkeerd heeft verstaan? Neen! Het betekent dat de grenzen van de wetenschap zich duidelijker voor ogen stellen alsook de illusoire objectiviteit van zijn criteria en a priori opvattingen, en classificatiepogingen van vondsten die in een ver­keerd daglicht zijn geplaatst. We kunnen natuurlijk niet voorbijzien aan de effecten die de hybridisatie op de mensheid heeft gehad! Het is deze factor die alle genetische mis­vormingen en kwade neigingen van de mens heeft veroorzaakt en zijn kwetsbaar im­munologisch systeem. Op eenieder doelend zei de Heer dat wij een “koppige gene­ra­tie” zijn [de hybriden]. Deze door Hem gegeven typering is eigenlijk veel te mild.

Wie voelt niet een zekere dankbaarheid als wij ons met de Neanderhalermens vergelijken? Maar indien wij ons trachten te vergelijken met de zonen van God, met de mensen die volmaakt geschapen waren, hoe voelen wij ons dan? Waarschijnlijk voelen wij ons dan als ‘primitieve’ monsters. Na een reeks van geleide selecties op ver­schil­lend niveau, waarmee de mensheid van zijn corrupte en onherstelbare hominide takken werd gezuiverd, en na reconstructie van de oorspronkelijke menselijke karaktertrekken dankzij een continu verloop van kleine stapsgewijze aanpassingen in de genen en chro­mosomen, heeft God genadevol beschikt om tevens datgene te gaan herstellen wat wij onverbiddelijk waren kwijtgeraakt: zijn Geest. Daartoe heeft Hij zijn zoon Jezus ge­zonden. Als Jezus niet zijn Leven voor ons had gegeven door een soort ‘transfusie’ van zijn Bloed, zijn levengevend Bloed, zouden wij onherroepelijk verloren zijn geweest. Toen immers de integriteit van de mens door de hybridisatie was geschonden, kon Gods Geest niet meer bij hem wonen (cf. Gen. 6:3). Wat restte was een lichaam met een ziel [psyche], en ook die waren in verval geraakt. Dat verklaart waarom hem de mogelijkheid tot toegang van het supernatuurlijke rijk werd ontzegd.

Daartoe kwam Jezus opdat wij wederom zijn Geest konden krijgen en weer Gods kinderen konden worden genoemd, zij het door adoptie. Op deze manier bood de Heer een herkansing aan om effectief naar de Hemel uit te zien, waarbij de sacramenten ons in staat stellen het genezingsproces hier op aarde in geest en psyche voort te zetten. Hij geeft ook de gelegenheid onze intermenselijke relaties recht te trekken en na­tuurlijk de relatie tussen ons en God. Hij kwam om ons te onderrichten dat wij ons niet meer als arrogante, misdadige, egoïstische, losbandige en dwaze dieren mogen gedra­gen, maar als echte kinderen voor wie de waarden van erkenning van de Vader, onder­ling respect en hulpvaardigheid essentieel zijn. Jezus kwam ook, niet zozeer om ons van geweld, onrecht en honger te bevrijden – dat zijn situaties die de mens zelf met een dosis goede wil kan oplossen – maar om ons te bevrijden van de slavernij van de psy­chologische misvormingen van ons besmette ego, of om het eens anders te zeggen, onze ziel van de doodzonden te genezen die latent in ons wonen. Via een sacrament zegende Hij ook het huwelijk waardoor genezing kon plaatsvinden van de genetische defecten die door de erf­zonde waren ontstaan.

Niemand weet, of wil weten, wat hij in de diepste en donkerste spelonken van zijn psyche draagt, dat zo vol is van al ons lijden en verwondingen en morbide ontrege­lingen, die genetisch zijn bepaald en zich via de miljoenen voorgaande generaties heb­ben opeengestapeld. Jezus kwam om de ketens van deze brutaliteit te breken, ja, om ons als engelen te laten vliegen. Maar dat is niet alles, want lichamelijk zijn we nog al­tijd slaaf. Maar slaaf van wie? Laten we dit samen proberen te ontdekken.

Hoe het visioen in de Bijbelse context past

Wij worden in deze wereld in Adams erfgoed geboren, van hem die zich eigen­zinnig aan Gods vrij­gevigheid had vergrepen, die zich Gods erfenis had toegeëigend om heer en meester over de aarde en al zijn goederen te worden. Maar hij wilde meer. Hij wil­de ook heer en meester zijn over zijn nakomelingen. God, die zijn Woord altijd gestand doet en Adam als rentmeester over de aarde had aangesteld, kwam hem daarin tege­moet. Adam misbruikte zijn autonomie en trof God in wat Hem het meest dierbaar is: het leven zelf. Zijn illegitieme nakomelingen waren niet in Gods plan voorzien. Misschien komt nu de volgende vraag naar boven: indien God alles van tevoren weet zelfs lang voordat het plaatsvindt, waarom liet Hij begaan; waarom verhinderde Hij dat niet? Had Hij Eva’s ovule voor Adams zaad niet incompatibel kunnen maken? Of had Hij Kaïn niet steriel kunnen maken om de schade alleen tot die generatie te beperken? We weten dat God niet tussenbeide kwam omdat Hij de Mens naar zijn evenbeeld ‘vrij’ had gemaakt. Hij schiep de mens niet voor eigen voordeel, maar om hem geluk­kig te maken en spontaan liefde van hem te mogen terugontvangen. Daarom moest Hij de mens vrijlaten en de gelegenheid geven uit eigen ervaring de smartelijke gevolgen van ongehoorzaamheid te zien. Adam moest zelf inzien dat vrijheid verkeerd kan wor­den gebruikt en hij moest met pijn en moeite leren zijn vertrouwen op God te stellen, want als God gebiedt of verbiedt of iets aanraadt, doet Hij dat uitsluitend vanuit zijn liefde tot ons, en wel voor ons eigen bestwil en niet omdat Hij zijn autoriteit wil doen gelden. Adam moest daarom het lijden ondergaan dat uit verkeerde keuzes voort­komt en gaan­deweg ontdekken wat al of niet goed is.

Hetzelfde geldt ook voor ons, die de consequenties van Adams misstap in een conditie van ontbering en absolute ellende dragen, wat zijn oorzaak vindt in het verlies van al die supernatuurlijke en preternatuurlijke goederen. Het lag in Gods oorspron­ke­lijke bedoeling deze aan de mensheid te schenken. In plaats daarvan werd de lijdende mensheid onderhorig aan hem die ons tot slaaf had gemaakt; want Adam had zich ons toe­ge­ëigend. Zonder een afkoopsom zouden wij voor altijd zijn lijfeigenen zijn ge­ble­ven.

Derhalve kwam Jezus om die afkoop met zijn Leven te betalen. Nu wij Adams trots en vooringenomenheid kennen en zijn gebreken, wordt duidelijker hoe Jezus’ Lij­den en Dood betaalt wat in zijn plaats Adam aan God zou hebben moeten betalen (in­dien hij daartoe in staat was geweest). De prijs compenseert voor het feit dat Adam Gods schep­ping had ontstolen waardoor hij Hem leed had berokkend. Zijn gebrek aan ver­trouwen, zijn onge­hoorzaamheid en opstandigheid, lagen aan de wortel van het kwaad. De compensatie geldt ook voor al het kwaad dat hij de mensheid in de keten van generaties heeft toe­gebracht. Daar dienen wij ook vergeving voor te schenken. Om plaatsvervangend Adams schuld te kunnen voldoen heeft Jezus zich in grote nederig­heid van de voor­rechten ontdaan die Hem krachtens zijn godheid toekwamen. In anti­type op de zonde van trots en ongehoorzaamheid van onze voorvader is Jezus de nede­rige en gehoorzame dienaar geworden tot zelfs de dood aan het Kruis toe (Phil. 2:5-8). Hij liet toe dat Hij gegeseld werd, wel wetend dat het Adam was die daar had moeten staan. Het drama wil dat Adam ons binnen de grenzen van geselend (dus telkens terug­kerend) lijden van psychische en lichamelijke kwalen heeft gevangen. Jezus verzet zich er niet tegen met doornen te worden gekroond want Hij wil genoegdoening schenken voor Adams zelf­genoegzaamheid en trots. Die hadden Adam ertoe gebracht om zich tot heer en meester over de aarde en zijn illegitieme nageslacht uit te roepen. Met het kruisdragen draagt Jezus de totale mens­heid (want allen zijn wij kinderen van Adam). Zodoende bewijst Hij zijn intens verlangen om de mensheid naar de oorspronkelijke en vol­maakte staat terug te brengen, in oppositie op Adam die de mensheid in een staat van onafzienbare involutie had gebracht. Op het Kruis hang­end lijkt Jezus een schild te vormen alsof Hij zeggen wil: voordat de Gerechtig­heid op de mensheid toeslaat, dient de mensheid eerst via Mij te gaan.

Dientengevolge betaalde Jezus Adams volle schuld en mocht in ruil daar­voor het erfdeel opeisen dat Adam verkwanseld had. Jezus wil onze mensheid we­der­opbouwen en naar de Vader terugvoeren. Zoals we tijdens de Paaswake zingen (in het Exultet), kwam Jezus als de Verlosser om ons vrij te kopen: “Qui pro nobis aeter­no Patri Adae debitum solvit et veteris piaculi cautionem pio cruore detersit.” (Die voor ons de schuld van Adam aan de eeuwige Vader betaald heeft, en de schuld­brief van de erf­zonde heeft uitgewist met het bloed van zijn hart.) Natuurlijk verwacht Jezus onze me­dewerking en actieve inzet. De enige prijs die ieder individu moet geven is de er­ken­ning dat Hij de ware Zoon van God is en bij machte dit wonder te bewerken. Tevens moet elkeen uit eigen vrije wil bereid zijn Jezus’ onderwijzingen te volgen en ze ook in de praktijk te brengen.

Slotopmerking

De Verzoening en de beloften, zoals begrepen in het Boek Openbaring, waarin de overwinning over de erfzonde wordt getoond alsook de belofte om naar de oor­spron­kelijke en volmaakte staat terug te keren, zijn sterk gerelateerd aan de thema’s die in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis aan bod komen. Zonder inzicht in Ge­nesis wordt het buitengewoon moeilijk om aan de wens gestalte te geven ons innerlijk beest kwijt te raken. Niet alleen dat – zonder Gods hulp is dat zelfs onmogelijk. We kunnen eenvoudig vaststellen hoe iemand die goed wil zijn dit niet uit eigen kracht kan. Hij kan goede dingen doen, maar dan toch niet die noodzakelijke innerlijke gene­zing krij­gen. In zijn diepste wezen zou hij gewoon hetzelfde blijven. Zelfs als we dat willen, kunnen wij deze metamorfose niet zelf bereiken. We kunnen dit niet zonder de midde­len die Jezus heeft aangereikt. Het eerste middel daartoe is de Heilige Eucharis­tie, hetgeen een ware en geëigende transfusie is van zijn goddelijk Lichaam en Bloed in onze menselijke zwakheid. Zijn Lichaam in ons geneest ons van onze psycho-licha­me­lijke gebreken en zijn Bloed in ons voedt het nieuw verworven leven van onze geest in de Geest. De Heilige Eucharistie bewerkt een genezing die onze zieke cellen ver­vangt met de volmaakte en heilige cellen van Jezus. Alleen Jezus, de bemiddelaar en ware Zoon van God, kan precies zoals de Vader dat wil deze nieuwe schepping tot stand brengen.

De hiermee verband houdende thema’s zijn zo uitgebreid en afwijkend van wat we tot nu toe gewend zijn, maar ze zijn ook eigentijds, wat betekent dat wie Gods werk echt wil kennen niet aan deze openbaring voorbij kan gaan. Het geeft immers de sleutel tot een beter verstaan van de profeten en vooral de Evangelieën.

Indien recente zieners en zieneressen de revue passeren zoals Maria Valtorta (1897-1961) – wiens werk “Il poema dell’Uomo-Dio” (Het Epos van de God-Mens) op dictaten van Jezus en Maria is gebaseerd – kan men in hun commentaar vaststellen dat de twee eer­ste­lingen, Adam en Eva, ‘beide’ schuld dragen, wat perfect aansluit bij de traditio­nele leer van de Kerk. De lezer zou hieruit kunnen afleiden dat Don Guido het verkeerd be­gre­pen heeft. Bij nader inzien blijkt dat Jezus onmogelijk bij Valtorta voor­uit had kun­nen lopen op hetgeen Hij tientallen jaren later aan Don Guido ging uit­leg­gen. Door de proble­men die dat dit met zich meebrengt, had Hij dat nooit zonder een omstandige uit­leg kunnen doen.

Niettemin heeft Jezus in verschillende hoofdstukken van Valtorta’s geschriften een basis voor deze openbaring gelegd door uitgebreid in te gaan op de gevolgen van de erfzonde. Bij de verschijning van de hominiden blijkt de mens zelfs lichamelijk op een dier te gaan lijken. Zo bespreekt Valtorta hoe de erfzonde de mens als het ware met het venijn van dierlijke instincten heeft geïnjecteerd – de oor­zaak van afwijkend ge­drag: gierigheid, op­standigheid, competitiezucht, wraak en onbe­dwingbare drif­ten, nei­gingen die allen in dienst staan van de zintuigen.

* * *

De integrale tekst van de openbaringen aan Don Guido is verkrijg­baar in het Itali­aans, Engels, Spaans, Russisch en Pools en Nederlands. Ze staan op de website http://www.genesibiblica.eu waar ze gratis kunnen worden gedownload. Meer vertalingen zijn in voorbereiding. De oorspronkelijke Italiaanse uitgave is ook in boekvorm ver­krijgbaar voor de prijs van € 16,00 [binnen Italië inclusief porto].

De hier voor u liggende brochure kan gratis worden gedownload bij:

http://guidobortoluzzi.wordpress.com alsook bij: www.genesibiblica.eu

Zie o.a. op SCRIBD:

Opheldering t.a.v. Oorsprong van de Mens volgens Don Guido Bortoluzzi

Renza Giacobbi

Via 1 Novembre, 1

32100 BELLUNO (Italië)


[1] Opmerking vertaler: Albino Luciano werd in 1978 paus en is de geschiedenis ingegaan als paus Johannes Paulus I. Zijn pontificaat duurde slechts 33 dagen.

[2] Opmerking vertaler: Pas in 2010 is de exacte oorzaak van de Vajontdam-catastrofe aange­toond. Inder­tijd meenden de ingenieurs via een gecontroleerde aardverschui­ving van het berg­massief achter de dam de geobser­veerde proble­­men te kunnen beheersen. Bere­kend was dat bij het weg­schui­ven van het berg­massief in het stuwmeer een vloed­golf van ma­ximaal 20 meter zou ontstaan (het water­peil stond destijds 25 meter onder de damtop). Het bleek een gigantische vloedgolf te wor­den van 200 meter boven het waterpeil, die zich naar het bewoonde dal verwoes­tend om­laag stort­te! Het falen der inge­nieurs was aan gebrekkige ken­nis te wijten, grove zelf­over­schat­ting en het be­wust negeren van signalen die op een an­der resul­taat wezen dan was berekend.

[3] Opmerking vertaler: Het gebrek aan overeenstemming kan ook zijn veroorzaakt door corrupties in de eeuwenlange mondelinge traditie, die reeds moet hebben bestaan voordat de profeet Mozes zich aan zijn schrijftaak wijdde.

[4] Opmerking vertaler: Don Guido geeft via zijn ontvangen kennis een complete verklaring binnen toen heersende stand der genetica.

[5] Opmerking vertaler: Een onafgebroken bijbelchronologie, die uitsluitend is gebaseerd op de in­terne bijbelse gegevens, komt uit op 4.000 jaar vanaf Adam tot Jezus. De juiste betekenis daar­van dient in het kader van Don Guido’s ontdekkingen nader te worden onderzocht.

Bronnen: www.scribd.com/Een-Evaluatie-van-de-Bijbelse-Ontstaansgeschiedenis-Renza-Giacobbi

www.guidobortoluzzi.wordpress.com


3 Trackbacks to “De bijbelse ontstaansgeschiedenis”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: