H. Eucharistie: Geheim van het Geloof

Prof. Mag. Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.
Preek in de Parochiekerk van de H.H. Leonardus en Gezellen, Martelaren van Gorcum, te Tilburg, 18 oktober 1970
Tantum ergo Sacramentum, veneremur cernui.
Laat ons zo’n groot Sacrament diep gebogen vereren.

Aldus begint de in de Katholieke Kerk meest bekende en tot voor kort ook in onze kerken telkens weer opnieuw gezongen hymne van het H. Sacrament der Eucharistie, van de hand van St. Thomas van Aquino, Dominicaan, heilige en kerkleraar.

Ik haal U deze tekst aan, dierbare Christenen, omdat ik, U vandaag heel bijzonder wil spreken over de H. Eucharistie, het “Geheim van het Geloof” bij uitstek. Ik doe dat in het kader van deze H.H. Missen voor het behoud van het geloof. Want enerzijds is het heilig Misoffer, dat wij hiervoor opdragen, de viering van de Eucharistie; anderzijds is het katholieke geloof in de Eucharistie er een dat in onze dagen weer geweld lijdt onder katholieken, zodat wij onze stem moeten verheffen voor het behoud ervan.

Het gaat om twee dingen, die niet te scheiden zijn: de leer over de H. Eucharistie en de praktijk die daarop is gebouwd en die niets anders is, dan wat wij noemen: de devotie, in al haar vormen, tot het Allerheiligst Sacrament.

Ik wil beginnen met de leer zoals die in de Heilige Schrift wordt aangeduid en door het kerkelijk leergezag wordt verklaard en voorgehouden. Dat laatste is tweemaal heel bijzonder gebeurd: door het Concilie van Trente, in de 16de eeuw, toen de protestantse hervorming het katholiek geloof in de heilige Eucharistie loochende en er iets anders, iets veel minders voor in de plaats stelde; en door Paus Paulus VI in zijn Encycliek “Mysterium Fidei” van 3 september 1965, in een tijd, dat door velen, bijzonder in ons land, achter de katholieke geloofsleer der Eucharistie opnieuw een vraagteken werd gezet, of een streep erdoor werd gehaald.

Laat ons beginnen met de H. Schrift. Wij weten uit de evangeliën van Mattheüs (26, 26-28), Marcus (14, 22-24) en Lucas (22, 17-20) en de eerste brief van de Apostel Paulus aan de Corinthiërs (11, 23-29), dat Jezus op het Laatste Avondmaal de H. Eucharistie voor ons heeft ingesteld. Het oudste, d.w.z. het eerste geschrevene, van deze vier berichten is volgens velen dat van de H. Paulus. Hij schreef het in Efeze van Turkije in 56 of 57 aan de bewoners van Corinthe in Griekenland:
“Broeder”, zo schreef hij, “ik heb van de Heer ontvangen, wat ik weer aan U heb overgeleverd, dat de Heer Jezus, in de nacht waarin Hij verraden werd, brood heeft genomen, en na gedankt te hebben, het heeft gebroken met de woorden: ‘Dit is Mijn Lichaam, omwille van U’ (d.i.: dat voor U wordt overgeleverd). ‘Doet dit tot Mijn gedachtenis’. Zo nam Hij na de maaltijd ook de kelk zeggend: ‘Deze kelk is het nieuwe Testament in Mijn Bloed. doet dit, zo dikwijls gij hem drinkt, tot Mijn gedachtenis’. En de Apostel voegde er de waarschuwing aan toe: ‘Want zo dikwijls als gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, tot Hij wederkomt. Daarom: wie onwaardig het brood eet of de kelk des Heren drinkt, eet en drinkt zich een oordeel (d.i.: velt zijn eigen vonnis), omdat hij het Lichaam des Heren niet onderscheidt”.

In de drie evangeliën staat St. Paulus’ vermaning niet te lezen; daarin wordt alleen maar meegedeeld wat gebeurd was. Zo lezen wij bij Mattheüs: “Neemt en eet, dit is Mijn Lichaam… Drinkt allen hieruit, want dit is Mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergiffenis van zonden”. Zo ook in de andere evangeliën.

Sint Jan spreekt niet over de Eucharistie bij het Laatste Avondmaal. Hij schreef veel later dan de drie eerste evangelisten en wilde niet herhalen wat iedereen wist. Maar aan zulk een groot geheim van Jezus; Liefde als de Eucharistie, kon de Apostel der Liefde niet voorbijgaan. In zijn evangelie wordt het vermeld in de toespraak, die Jezus tot de Joden heeft gehouden dicht bij het meer van Galilea, in de synagoge van Kafarnaüm (Jo. 6, 26-59): “Mijn vlees is waarlijk Spijs en Mijn bloed is waarlijk Drank; wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (vs. 55-56).

Niet alleen de Katholieke Kerk, maar alle christelijke kerken, die het Evangelie als hun grondwet beschouwen en de waarheid van Jezus; woorden aanvaarden, geloven, wat Hij gezegd heeft. Maar wat bedoelde Hij ermee? Hier gaan, hoofdzakelijk sinds de protestantse reformatie, de meningen op tragische wijze uiteen. De katholiek gelooft, dat Jezus Christus zo werkelijk onder de gedaanten van brood en wijn aanwezig is, dat hij neerknielt en aanbidt, terwijl de protestantse catechismus van Heidelberg, in Nederland nog steeds een basistekst voor godsdienstonderricht bij hervormden en gereformeerden, de H. Mis een afschuwelijke paapse afgoderij noemt. En dit laatste gebeurt niet (ten minste nu niet) uit opzettelijk ongeloof, maar omdat, of terwijl, de woorden der H. Schrift anders worden uitgelegd dan binnen de Katholieke Kerk. Waar het voor katholieken op aankomt, is niet: hoe leer ik, individueel, de woorden der H. Schrift naar mijn persoonlijke mening? maar: wat leest de Kerk erin. In de H. Schrift is over de H. Eucharistie een mondelinge overlevering vastgelegd, die van de Apostelen stamt: zij waren getuigen van het Laatste Avondmaal. Wij lezen die H. Schrift in en met de Kerk en zoals de Kerk haar leest en verstaat. De Kerk heeft van Christus een leergezag ontvangen. En dat leergezag is niet een stil, zwijgend boek, maar het levend woord van levende mensen; het is het eerst gesproken door Jezus en de Apostelen en het zal tot het einde der tijden doorklinken in het levend leergezag der Katholieke Kerk.

Dit leergezag blijkt in de eucharistie vooral uit de praktijk der Kerk van het begin af, uit haar Liturgie. De Kerk heeft van het begin af de H. Eucharistie gevierd in het Oosten en in het Westen, en zij heeft altijd geloof, dat de Heer er tegenwoordig komt onder de gedaanten van brood en wijn, doordat brood en wijn werkelijk worden veranderd in Zijn Lichaam en Bloed. In de laoude Romeinse liturgie werd dit steeds geloofd en er niet uitdrukkelijk bij gezegd. Maar in de oude Griekse van Joannes Chrysostomus vraagt de preister uitdrukkelijk dat God Zijn Heilige Geest mag zenden, om brood en wijn te veranderen in het Lichaam en Bloed van onze Heer. Geen verandering dus van betekenis alleen, of van een nieuw doel waarmee men brood en wijn gebruikt, maar van brood en wijn zelf; niet alleen maar een geestelijke aanwezigheid, maar een aanwezigheid door verandering van brood en wijn in het verheerlijkt Lichaam en bloed van onze Heer. In de Kerk van het Westen en de afgescheidenen kerken van het Oosten bestond hierover geen meningsverschil, totdat in de 16de eeuw in Noordwest Europa andere opvattingen werden verkondigd. Daarmee kwam tevens in vele streken een einde aan de devotie tot de H. Eucharistie zoals die toen bestond, sinds eeuwen: aanbidding, processies, vaak communiceren van vromen. Wat de H. Eucharistie in de 15de eeuw voor de vromen in Nederland betekende, kan men lezen in het vierde Boek der Navolging van Christus van Tomas à Kempis; bij de hervormden bleef daarvan maar weinig over.
Ook nu zien wij in Nederland weer dezelfde verschijnselen optreden: geen of weinig aanbidding meer, processies vervallen, men gaat nog wel te Communie op zondag, maar niet meer in de week, of gaat helemaal niet meer naar de kerk.

Wij onderscheiden in het H. Sacrament drieërlei: Jezus’ aanbiddelijke tegenwoordigheid; de Communie; het Misoffer: het zijn alle drie grote gaven van God, die nauw samenhangen, Ja, samen één zijn. Tegenwoordig wordt veel, te veel, de nadruk gelegd op het maaltijdkarakter der Eucharistie; over het overige wordt vaak niet gesproken, als het al niet wordt ontkend. Aan het eind van de liturgische dienst op zondag gaan de gelovigen naar voren, halen een Hostie en gaan na enkele ogenblikken weer naar huis. Zo was het tot voor kort niet, en terecht niet.

Als het brood en wijn werkelijk veranderen in Jezus’ Lichaam en Bloed, zodat zij geen brood en wijn meer zijn, dan is Jezus zelf daar, onder de broodsgedaante, want Zijn Lichaam en Bloed zijn onafscheidelijk verbonden met Zijn verheerlijkte Mensheid, die die van een goddelijke Persoon is. Jezus zelf is daar en dan is het billijk, dan is het vanzelfsprekend, dat velen het verlangen gevoelen – en dit ook uitvoeren – Hem ook buiten de H. Mis te aanbidden als Hij rust in het tabernakel, Hem liefdevol toe te spreken en Hem zijn nood te klagen, zich geborgen te voelen door bij Hem te zijn, Hem plechtig ter aanbidding willen zien uitgesteld.
Als brood en wijn wonderbaar veranderen in Jezus’ Lichaam en Bloed, dan volgt hieruit, dat zelfs het kleinste deeltje daarin verandert. Het is dus niet zo dat kruimels, die van een Hostie afvallen, of druppeltjes geconsacreerde Wijn, geen Eucharistie meer zouden zijn, niet meer Jezus zelf. Dit is in strijd met het geloof en in zekere zin zelfs met het gezond verstand. Want dit laatste zegt in goed Nederlands: “kruimels zijn ook brood” en dit wil voor ons zeggen: ze hebben evengoed de broodsgedaante als de hele Hostie. In de 4de eeuw vermaande de H. Cyrillus van Jeruzalem de doopleerlingen, die door hem in de Paasnacht in de Kerk zouden worden opgenomen, op die kruimeltjes te letten, wanneer ze de H. Communie eerbiedig op de holle hand, met grote eerbied, zouden gaan ontvangen. “Als het goudstof zou zijn, dat op Uw hand viel”, zei hij, “zoudt U dan niet met de grootste zorg alles verzamelen, opdat er niets verloren ging? Hoeveel te meer moet gij dit doen nu de kruimels geen goudstof, maar de Heer Jezus Christus zelf zijn!”

Wat de Communie op de hand betreft: dat was in die oude tijd een betuiging van eerbied. Wanneer men eerbiedig een geschenk ontving, strekte men de holle hand uit en de Christenen ondersteunden de rechter met de linker, waarbij zij de H. Hostie regelrecht uit de holle hand nuttigden. Nog heden houdt in India elke bedelaar, die U iets vraagt, zijn beide holle handen uitgestrekt voor U, om daarop de aalmoes te ontvangen. Als men nu weer in Nederland en enkele andere streken op de hand communiceert, herstelt men niet het oud-christelijke gebruik: eerstens, omdat men het anders doet, en ten tweede, omdat het geen teken van bijzondere eerbied is (eerder het tegendeel), wat het voor de oude Christenen juist wel was.

Dan is daar de Communie. Wij mogen Jezus ontvangen. Het H. Sacrament is ingesteld onder de gedaante van spijs en drank, opdat wij het zouden nuttigen. Een sacrament werkt uit, wat het betekent; wanneer wij ons lichamelijk zo innig mogelijk verenigen met de gedaanten van brood en wijn en dit doen vol innerlijke verlangen, verenigt de geest zich met Jezus zelf, Die door het Sacrament niet alleen wordt getekend, maar ook bevat. De H. Eucharistie is Jezus zelf; de H. Communie wil ons geestelijk steeds inniger verenigen met de God-mens, ons steeds dichter bij He, brengen. Bedenken wij, wat dit betekent: een mens, zwak, zondig, verenigd met de heilige God! Eens, zo hopen wij, zal dit geschieden in de hemel; op aarde is de vereniging in de H. Communie een onderpand van die latere hemelse vereniging. Daarom spreekt de Kerk de H. Eucharistie als volgt toe: “O, heilig gastmaal, waarin Christus wordt genuttigd, de gedachtenis aan Zij lijden wordt gevierd, de geest met genade wordt vervuld en ons het onderpand wordt gegeven der toekomstige heerlijkheid” (gebed “O Sacrum Convivium”). En St. Paulus zegt, dat wie eet en drinkt, zich een oordeel drinkt, omdat hij “het Lichaam des Heren niet onderscheidt”, d.w.z. er geen rekening mee houdt, dat wat hij nuttigt Jezus’ Lichaam, Jezus Christus zelf is.

Daarom mag niemand tot dit heilig Sacrament naderen als hij schuldig is aan groot kwaad. Is het geen vermetelheid, de H. Communie te ontvangen, wanneer men heeft gezondigd en daarover geen berouw heeft gehad? Althans zijn grote zonden niet eerst aan de priester heeft gebiecht? Of moeten wij zeggen, dat zij die dit tegenwoordig niet doen, weinig geloof meer hebben in de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het H. Sacrament? Want hadden zij dit wel, hoe zouden zij het dan wagen, de H. Communie te ontvangen? Zij vergeten dat Jezus niet alleen onze Verlosser, Vriend en Helper is, maar ook onze Rechter zal zijn. In vroeger tijd zou niemand te Communie gaan, als hij niet eerst had gebiecht, om zo zuiver mogelijk tot de H. Communie te naderen. Dit was niet altijd nodig, maar tegenwoordig maken wij het tegendeel mee: hele scharen van gelovigen gaan tot de Communie, die zelden of nooit biechten, zonder zelfs maar hun geweten te onderzoeken en hun zonden voor God te belijden. Zondigen zij, zondigen wij, dan niet meer? Zijn zij, zijn wij, zoveel beter dan hun, dan onze, vaders? Is er b.v. geen kerkelijke huwelijksmoraal die wordt overtreden? Zijn wij altijd liefdevol in spreken en handelen, altijd kuis? Het nalaten, resp. afschaffen van de biecht is een ernstig teken destijds, een teken van verslapping van christelijk leven, en herinnert aan wat gebeurde in de tijd van de hervorming der 16de eeuw.

In Oosterse liturgieën roept de priester voor de H. Communie uit: “Het Heilige voor de heiligen!” De gelovigen, zich van hun zonden bewust, zeggen dan: “Er is één heilige Vader, één heilige Zoon, één heilige Geest”, d.w.z.: God alleen is Heilig, wij mensen zijn dat nooit. Maar wij moeten trachten het te zijn door ons zoveel mogelijk te reinigen van zonden, voor wij de H. Communie ontvangen; een hiervoor door de Kerk krachtig aanbevolen, middel is de Biecht. Geve God, dat deze in ons land weer in ere wordt hersteld. Wat daarin overdreven of fout was, mag en moet wegvallen, niet de Biecht zelf.

De Heilige Mis, viering der Eucharistie, is ook een offer. Zij is door onze Heer ingesteld op de avond van Zijn lijden, dat zijn hoogtepunt vond in Zijn offerdood op het kruis. Als de priester nu in de h. Mis brood en wijn consacreert, verzinnebeeldt hij daardoor de dood van Christus. De gescheiden gedaanten van brood en wijn stellen zinnebeeldig de scheiding van Jezus’ Lichaam en Bloed en daarmee Zijn door voor. De Kerk leert dat onder de gedaante van brood niet alleen Jezus’ verheerlijkt Lichaam, maar ook Zijn Bloed en Zijn Godheid tegenwoordig zijn, zij zijn immers niet van elkaar te scheiden. Hetzelfde gaat op voor de gedaante van wijn: daar is ook Jezus’ Lichaam tegenwoordig. De gescheiden gedaanten betekenen het gescheiden Lichaam en Bloed; die van de wijn heel bijzonder het “bloed dat wordt vergoten, tot vergiffenis van zonden”.

Nu heeft Jezus zich maar éénmaal, eens en voorgoed, aan Zijn hemelse Vader geofferd (Hebr. 9, 28). Daarom is het H. Misoffer hetzelfde offer als dat op het kruis. Zoals een en dezelfde Christus in de Eucharistie aanwezig is onder alle broodsgedaanten op de hele wereld, en er niet “veel Christussen” zijn, zo is ook het ene offer van Calvarië tegenwoordig in alle Misoffers, alle Eucharistievieringen der hele Kerk.

Waarom dit? Door het Misoffer wordt het kruisoffer ons nabij gebracht en worden wij er telkens aan herinnerd, kunnen wij ons gemakkelijker openstellen voor de genade der Verlossing, op het kruis door Christus voor ons verdiend, maar daarom nog niet reeds op elk van ons toegepast. Zo is de H. Mis dus, zoals de Kerk zegt, een “Memoriale mortis Domini”, een “Gedachtenis aan de dood van de Heer, een levend Brood, dat het Leven aan de mens geeft”. Bedenken wij dit voldoende of vergeten wij het? Helaas, wij vergeten het maar al te vaak en al te veel.

Wanner wij in de H. Mis Jezus’ lijden gedenken, dan dienen wij daaruit ook onze conclusies te trekken en die zijn van verschillende aard. Eén ervan, en niet de minste, is: als Jezus Zijn lijden in gehoorzaamheid aan de hemelse Vader heeft gedragen, moeten ook wij ons lijden zo proberen te dragen, ons ongemak, onze tegenspoed, zelfs ellende en ongeluk. De leerling is niet meer dan zijn Heer. In deze geest beleefd, wordt het H. Misoffer ons tot een machtige steun in de stormen van het leven, een middel, dat ons helpt gelijkvorming te worden aan de Heer en door ons lijden aan te vullen wat aan het Zijne ontbreekt.

Tenslotte: aan de viering der Eucharistie (het woord betekent: dankzegging, lofprijzing van God voor al Zijn weldaden, vooral voor die van de Verlossing) is een maaltijd verbonden, de H. Communie. Daaraan wordt nu in onze tijd in ons land, de meeste aandacht besteed, zo niet alle. De canon, het offergebed, noemt men wel “tafelgebed”, en spreekt van “offer” liefst niet. Men stelt het zelfs zo voor, dat de eucharistische maaltijd de tafelgenoten allereerst met elkaar verenigt en daarom vooral, of zelfs uitsluitend, een zinnebeeld is van onderlinge saamhorigheid, elkaar weldoen, liefde en vriendschap. Zo gezegd is dit niet juist. De H. Eucharistie verenigt ons met elkaar, omdat zij ons met Christus verenigt. Zijn wij Gods kinderen en tonen wij dat door het ontvangen van de H. Eucharistie met een rein geweten en vol liefde tot de Heer, dan zijn wij elkanders broeders in Christus. De H. Eucharistie brengt ons bij elkaar, omdat wij er ons rond Christus scharen.

De eucharistische maaltijd is niet te vergelijken met een gewone maaltijd, omdat de Spijs, die wij erin genieten, Christus zelf is, Die ons tot de maaltijd heeft uitgenodigd en Die ons met Zich wil verenigen. Een gewone maaltijd verenigt ons, doordat wij samen iets aangenaams, iets heel aangenaams doen, iets, dat ons leven onderhoudt. De eucharistische Maaltijd verenigt ons in Christus, de Spijs zelf. Bij een gewone feestmaaltijd komt het er minder op aan, wat wij eten, als het maar goed smaakt. In de eucharistische Maaltijd komt het alleen op de Spijs aan: Jezus’ Lichaam en Bloed; en dat is heel wat anders.

In de viering der Eucharistie is het te Communie gaan het laatste deel van de plechtigheid. Het hoogtepunt is het offergebed van de canon, waarin God gedankt en geprezen wordt, om Zijn Gaven aan ons mensen geschonken, vooral de Gave van Jezus’ Vlees en Bloed en Zijn offerdoor op Calvarië; de Gave van Jezus zelf, Die door de Consecratie in Zijn verheerlijkt Lichaam met Godheid en Mensheid op het altaar neerdaalt, op een manier, die herinnert aan Zijn menswording in de schoot der Moedermaagd. Dan pas, als dit hoogtepunt bereikt is, als god, Centrum, Bron en Oorsprong van heel ons bestaan, is geprezen en gedankt, mogen wij aan onszelf denken en ons in de H. Communie met Christus verenigen, zodat ten volle bereikt wordt, wat Jezus met Zijn offerdood bedoelde.

Dierbare Christenen! Dit is in het kort, niet mijn leer over de H. Eucharistie, maar de leer der Kerk, zoals die veel beter dan ik het kan, en met nadruk is herhaald op het Concilie van Trente en vijf jaar geleden door Paus Paulus in zijn heerlijke Encycliek. Danken wij daarom God voor deze onuitsprekelijke Encycliek. Danken wij daarom God voor deze onuitsprekelijke Gave en gaan wij over tot de viering ervan, door de belijdenis van ons geloof.

AMEN.

http://www.ecclesiadei.nl/docs/ploeg0005.html

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: