Mgr. Léonard: ‘De zoete wraak van de barmhartigheid’

‘Waarheid en barmhartigheid omhelzen elkaar’

In het vorige nummer van Pastoralia beëindigde ik een artikelenreeks over de schoonheid van het huwelijk en over het belang van een goede voorbereiding, maar ook over het lijden dat veel koppels treft. Ook als het ging over de moeilijkste kwesties, was het mijn zorg om in volkomen helderheid de leer van Jezus en zijn Kerk over het huwelijksverbond te verkondigen en tegelijkertijd de barmhartigheid en alle tederheid te laten zien waarmee de Heer – en in zijn spoor de Kerk – zijn kinderen opwacht in hun leven. Want waarheid zonder barmhartigheid vergroot de pijn van de wonden, terwijl barmhartigheid zonder waarheid het lijden verdooft zonder de wonden te genezen. De kunst bestaat erin beide te doen samengaan. Moge het ons, aan de vooravond van het Jubileum van Barmhartigheid, gegund zijn de veeleisende gave van de barmhartigheid te verdiepen.

 

Een sleuteltekst

De meest waardevolle tekst om dit thema aan te snijden, is de passage waarin Johannes beschrijft wat zich na de dood van Jezus afspeelde: ‘Omdat het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat er op sabbat lijken aan het kruis zouden hangen – het was nog wel een heel bijzondere sabbat – vroegen ze aan Pilatus of men hun de benen mocht breken en hen weghalen. Daarop kwamen de soldaten de benen breken van zowel de eerste als de tweede die met Hem gekruisigd was. Maar toen ze bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al dood was, braken ze zijn benen niet. Wel doorstak een van de soldaten met een lans zijn zijde, en meteen kwam er bloed uit en water. Hiervan getuigt iemand die het gezien heeft – zijn getuigenis is betrouwbaar en hij is er zeker van dat hij de waarheid spreekt – opdat ook u zult geloven. Want dit alles is geschied omdat het Schriftwoord in vervulling moest gaan: Geen been van Hem zal worden verbrijzeld, terwijl nog een ander Schriftwoord zegt: Ze zullen opzien naar Hem die ze hebben doorstoken’ (Joh 19,31-37).

 

Decor en context

Die vrijdag was bijzonder plechtig, want de volgende dag was het niet alleen de wekelijkse sabbat, maar de volle maan van de lente en dus het jaarlijkse paasfeest. In de Tempel waren de lammeren net geslacht, de voorbereidingen van de sabbat en het paasfeest waren begonnen en moesten eindigen voor het vallen van de avond op die vrijdag, 7 april van het jaar 30. Men moest dus de lichamen van het kruis nemen vóór valavond. Om de dood te versnellen van de twee moordenaars die samen gekruisigd waren, moest men alleen hun benen breken. Dan konden ze niet meer op hun voeten steunen om vrijer te kunnen ademen en dan zouden ze binnen enkele minuten stikken. Jezus was al gestorven. Het was dus niet nodig zijn benen te breken. Om zeker te zijn stak een soldaat toch in zijn zij, tot aan zijn hart. Uit die wonde – de allerlaatste die hem wordt toegebracht – komt wat bloed en water.

 

Reflecties, contemplatie en reminiscenties

De evangelist presenteert ons de ‘veelgeliefde leerling’ als ooggetuige van die episode. Maar zijn getuigenis werd pas veel later geschreven, als vrucht van een lange periode van christelijk leven, van meditatie en reflectie. In de loop van die tijd stapelden de Bijbelse herinneringen zich op. Ten eerste de herinnering aan een scene die in hetzelfde evangelie wordt verteld (Joh 2, 13-22). De verkopers en geldwisselaars hebben meer plaats ingenomen dan wat voor hen bestemd was aan de ingang van de Tempel. Geschokt door hun alsmaar oprukkende handel, drijft Jezus ze met zweepslagen weg. Reactie van de religieuze overheden: ‘Wie heeft u opgedragen tempelpolitie te spelen? Kunt u een teken voorleggen dat u machtigt zo te handelen?’ Antwoord: ‘Breek deze tempel af en in drie dagen zal ik hem doen herrijzen.’ Gelach: ‘Er was 46 jaar nodig om die op te bouwen en gij zoudt die in amper drie dagen kunnen doen herrijzen?’ Maar de evangelist (die het slechts veel later heeft begrepen, na Pasen en Pinksteren) noteert: ‘Hij sprak over de tempel van zijn Lichaam.’

De Tempel van Jeruzalem werd beschouwd als de plaats waar de God van Israël op bijna fysieke wijze te midden van zijn volk woonde. Maar vanaf het eerste christelijke Pinksteren, op 28 mei van het jaar 30 en de daaropvolgende decennia, begrepen de apostelen dat de echte tempel waar God woonde bij de mensen, voortaan het lichaam van Jezus zelf was, zijn zeer heilige menselijkheid. De brief van Paulus aan de Kolossenzen drukt het uit in een adembenemend korte formulering: ‘In Christus woont lijfelijk de Godheid in heel haar volheid’ (Kol 2,9).

Maar deze herinnering maakt een andere los. In een suggestieve tekst had de profeet Ezechiël een eigenaardig visioen beschreven dat hij had gekregen tijdens zijn ballingschap in Mesopotamië (Ez 47, 1-12). Het geruststellende visioen van de Tempel van Jeruzalem! En vanonder de rechterkant van de Tempel liep een klein straaltje water. Maar dat werd groter. Eerst werd het een stroompje dat tot zijn enkels kwam. Daarna een rivier tot aan zijn knieën. Daarna een vloed waarin hij tot zijn middel werd gedompeld. Tot slot een stroom die niet meer kon worden overgestoken, ook niet door te zwemmen. En tegelijkertijd een wonderlijk spektakel: op de twee oevers waren tal van bomen gegroeid die elke maand mooie vruchten voortbrachten en waarvan de bladeren geneeskrachtig waren. En het water van de stroom maakte alles gezond wat het tegenkwam, zelfs de zoute wateren van de Dode Zee, en overal waar het water kwam, bloeide leven en krioelde het van vissen. Deze profetische reminiscentie vervult de evangelist met hoop.

Het bloed en het water dat uit de open zijde van Jezus stromen, zijn op deze avond van Goede Vrijdag misschien maar een klein staaltje, ze zullen een reusachtige stroom worden die op zijn tocht leven geeft, dankzij de stroom van leven van de Heilige Geest, aan de heiligende wateren van het doopsel en het bloed van de Eucharistie dat voor de vergeving der zonden wordt vergoten. Drie bronnen van nieuw leven die vloeien in de schoot van de Kerk, de Nieuwe Eva, uit de Nieuwe Adam voortgekomen.

 

Een zeer zoete wraak

De evangelist herinnert zich, hij mediteert en contempleert. Hij weet dat zijn getuigenis voor ons van cruciaal belang zal zijn. Hij staat dus op zijn geloofwaardigheid. Het gaat dus echt om een ooggetuige. En de Heer zelf is bereid dit getuigenis te bevestigen, want Hij weet dat hij de waarheid spreekt. Opdat ook wij het geluk zouden hebben in Jezus te geloven, bron van leven. De Samaritaanse had het al ingezien (‘water dat opborrelt als een bron van eeuwig leven’; cfr. Joh 4, 13-15) tijdens haar memorabele ontmoeting met Jezus (‘Hij wist wat ik allemaal gedaan’; cfr. Joh 4, 29). Jezus zelf had het krachtig voorspeld op de laatste, meest plechtige dag van het Loofhuttenfeest: ‘Heeft iemand dorst, laat hij dan naar Mij toe komen, en laat drinken wie in Mij gelooft!’, want, zo noteert de evangelist: ‘Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.’ En hij preciseert: ‘Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam’ (cfr. Joh 7,37-39).

Maar twee andere details trekken de aandacht van de evangelist en roepen bij hem nieuwe profetische reminiscenties op. In het paasritueel dat in Exodus uitvoerig wordt verteld, had Mozes, gehoorzamend aan de God van het Verbond, voorzien dat het paaslam intact moest zijn en daarom had hij aan het volk opgedragen: ‘Geen been van het lam mag u verbrijzelen’ (Ex 12, 46). De evangelist denkt na over de scene van de doorstoken zijde van Christus en is dankbaar dat de soldaten zijn benen niet gebroken hadden. Knipoog van de Voorzienigheid om discreet te onderstrepen dat Jezus inderdaad het echte paaslam is van het Nieuwe Verbond, zoals Paulus het aan de Korinthiërs zal zeggen: ‘Ook ons paaslam is geslacht: Christus’ (1 Kor 5, 7).

Maar het beschouwen van de doorboorde zijde roept bij Johannes nog een andere herinnering op, die aan de mysterieuze profetie van Zacharia: ‘Maar over het huis van David en de bevolking van Jeruzalem zal Ik een geest van mededogen uitstorten, die hen tot bidden brengt. Zij zullen zich weer naar mij wenden en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze een rouwklacht aanheffen, zoals men rouwt over de enige zoon; zij zullen om hem klagen, zoals men klaagt om de eerstgeborene’ (Zach. 12, 10).

De evangelist heeft de tekst geciteerd vanuit een andere vertaling dan die van de Septuagint, een vertaling die de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst in elkaar schuift door de woorden ‘naar mij’ en ‘over degene’ te laten vallen. Maar tot daar aan toe. Het gaat om een symbolische figuur die evoceert wat in de laatste dagen met het uitverkoren volk zal gebeuren. Na een nationale rouw om de dood van deze Doorboorde, een rouw die gepaard gaat met klaagliederen (cfr. Zach. 12, 11), zal het heil aangeboden worden, zoals gepreciseerd in het volgende vers (Zach. 13, 1): ‘Op deze dag zal er voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem een open bron zijn, die zonde en onreinheid wegwast.’ Deze Doorboorde, die vanuit de tekst van Zacharia moeilijk te identificeren is, doet ons denken aan de ook wat mysterieuze figuur van de lijdende Dienaar, die door Jesaja beschreven wordt (cfr. Jes 52, 13 tot 53, 12). Maar Johannes heeft er al vóór ons aan gedacht! Als deze profetische teksten raadselachtig blijven (over wie kan het gaan?), wordt hun betekenis duidelijk voor wie de Gekruisigde aanschouwt in het licht van Pasen. Voor Johannes, net als voor ons vandaag, ging het echt over Jezus. De evangelist heeft zich letterlijk laten inspireren door deze teksten om ons de gebeurtenissen aan het Kruis te beschrijven.

De verwondering van Johannes – en de onze – over dit wonderlijk tafereel is begrijpelijk. Hier wordt de laatste wonde toegebracht aan het Woord dat mens is geworden. Na alle voorafgaande vernederingen en folteringen. Een overbodige wonde, want de Doorboorde was al gestorven. Maar die laatste wonde heeft als enig gevolg dat een bron van leven, van water en bloed, wordt geopend, in staat om, zoals de bron van Zacharia, ‘zonde en onreinheid weg te wassen’.

 

De barmhartigheid zal het laatste woord hebben

Ten overstaan van het menselijk hart van God, dat het hart is van Jezus, is ons hart, met zijn kwaadaardigheid en laagheid, reeds op voorhand verslagen. Tenzij we ons hardnekkig en koppig verzetten, zal de barmhartigheid het laatste woord hebben. De steken die we toebrengen aan het hart van Christus, openen ineens een bron van zuivering en van nieuw leven, in staat om ons te vernieuwen. Om dit te begrijpen, volstaat het onze ogen op te heffen naar Diegene die wij doorstoken hebben. En in die blik op de open wonde begrijpen we dat we zondaars zijn. Anders zou de mensgeworden God zo niet gestorven zijn! Wij moeten ons dus bekeren en resoluut ons leven veranderen. Maar in diezelfde blik op de wonde begrijpen we, als we dat willen, de genade van de vergeving en van het nieuw leven dat ons geboden is. ‘En meteen kwam er bloed uit en water’ (Joh 19, 34). Hoe zouden wij dan ons hart kunnen verliezen, want vanuit het hart van Christus, voor ons tot poel geworden van al onze ellende (want het slorpt alle zonden van de hele wereld op), stroomt een heldere bron die opborrelt tot eeuwig leven?

 

+ André-Jozef Léonard

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: