Mgr. Wim Eijk: Religieus kapitaal – het vermogen om Kerk te zijn

Facebook: “Een voorbeeld van open ogen voor de nuchtere werkelijkheid, maar vanuit een regelmatig sluiten van de ogen om tot gebed te komen en tot overgave aan die “onzichtbare hand”. Met dank aan mgr. Eijk!”


Kardinaal Eijk was op 26 november de slotspreker tijdens het congres voor religieuze instellingen dat de ABN AMRO bank MeesPierson organiseerde. Thema van deze Religieuze Jaardag was het ‘Beheer van Religieus Vermogen’. In zijn lezing, getiteld ‘Religieus kapitaal: het vermogen om Kerk te zijn’, stond kardinaal Eijk niet alleen stil bij de financiële positie van de Kerk. Hij sprak vooral over wat het betekent om Kerk te zijn in de huidige tijd, waarin geloof onder invloed van de secularisering onder druk staat.

De Utrechtse aartsbisschop benadrukte dat geld voor de Kerk altijd een middel is, “een mogelijkheidsvoorwaarde die ons in staat stelt onze missie uit te voeren.” Over de kerkelijke kansen in de toekomst was kardinaal Eijk optimistisch, mede vanwege de ‘religieuze fantoompijn’ die hij in de moderne samenleving constateert: “Mensen voelen gelovige activiteit in hun ziel, maar omdat ze zijn losgesneden van hun christelijke wortels voelt dit als onrust of pijn,” zo lichtte hij toe. Dat is een blijvend aanknopingspunt in het contact tussen de Kerk en de seculiere samenleving. Het is aan de Kerk om in dat voortdurende contact met de samenleving haar authentieke geluid te laten horen: “De Kerk die in de samenleving het andere verhaal vertelt, die het tegendraadse doet, die heeft duurzame aantrekkingskracht. Zo’n Kerk kan mensen raken. Die intrigeert, inspireert én innoveert – want zet de mens op de weg naar een betere versie van zichzelf,” aldus kardinaal Eijk.


kardinaal_eijk

Religieuze Jaardag ABN-AMRO, Amsterdam, 26 november 2015.

Geachte aanwezigen,

Hartelijk dank aan de ABN-AMRO bank voor de uitnodiging om hier vandaag te spreken. De organisatie heeft mij de rol van slotspreker toebedeeld. Dat is een spannende positie: u hebt de hele middag in de aandachtige luisterstand doorgebracht en wellicht moeten vechten tegen ‘le démon du midi’. En dan kom ik nog als de laatste horde die u van uw welverdiende borrel scheidt. Toen ik dertig jaar geleden in de Roermondse kathedraal tot priester werd gewijd, had ik me niet kunnen voorstellen dat ik eens hier zou staan. Een van de effecten van de bisschopswijding, overigens niet vermeld in theologische handboeken, is dat je toetreedt tot een wereld waarin je met financiële problemen te maken krijgt. Dat overkwam mij in ieder geval. Omdat de media hiervoor meer belangstelling hadden dan voor mijn pastorale activiteiten, ontstond bij sommigen de gedachte: ‘voor pastoraat heeft hij nauwelijks oog, maar voor geld des te meer’. Ik hoop dit beeld in mijn lezing te nuanceren.

Ik wil vandaag spreken over een breder perspectief dan alleen het geldelijk vermogen van de Kerk. Want geld is voor de Kerk slechts een middel, een mogelijkheidsvoorwaarde die ons in staat stelt onze missie uit te voeren. Dat is ook de boodschap die paus Franciscus uitdraagt. We leven in een tijd waarin het religieus kapitaal van de Kerk onder druk staat. Niet alleen ons financiële vermogen – de kerkelijke inkomsten dalen reeds enkele jaren – maar ook ons religieus kapitaal in overdrachtelijke zin. Dat bestaat enerzijds uit de geloofsschatten die de Kerk beheert en anderzijds uit onze maatschappelijke betekenis. Deze betreft de sociale leer van de Kerk die via met name christelijke partijen een bron van inspiratie is voor de politiek, en via christelijke ondernemers voor het bedrijfsleven. Tevens manifesteert onze maatschappelijke betekenis zich in de inzet van kerkelijke vrijwilligers. Ik wil vanmiddag spreken over dat brede religieus kapitaal en over ons vermogen om Kerk te zijn in een samenleving die daar in toenemende mate onbegrijpend en zelfs afwijzend tegenover staat.

Eerst wil ik stil staan bij het ‘religieus onvermogen’ dat zo typerend is voor de huidige samenleving. Dat religieuze onvermogen heeft zich in een razend tempo door onze maatschappij verspreid en is ook bekend onder de term ‘secularisatie’. De Nederlandse Hervormde Kerk liep leeg in de eerste helft van de vorige eeuw. De afgelopen halve eeuw liet een scherpe daling zien in het ledenaantal van de RoomsKatholieke Kerk in Nederland. De orthodox-protestantse groeperingen zijn robuuster, maar ook bij hen doet de secularisering zich inmiddels gelden. In relatief korte tijd is een christelijke natie veranderd in een land waar christenen een minderheid vormen, waarbij de meeste leden bovendien op leeftijd zijn. Daarmee is de kennis van en de belangstelling voor die christelijke religie grotendeels verdampt. En die verdamping zet door. Vorige maand werd bekend dat een kwart van de ouders die het Nationale School Onderzoek invulden, vindt dat Godsdienst mag verdwijnen als vak op de basis- en middelbare school. Voor één op de vier ouders is religie het niet waard om onderwijs over te krijgen. Dergelijke uitkomsten tonen aan dat in Nederland de sociale relevantie van religie toenemend onder druk staat.

Wat betekent deze constatering voor de Rooms-Katholieke Kerk? Je kunt zeggen: nou ja, driekwart vindt blijkbaar dat godsdienst wel een schoolvak moet blijven. Maar als je tegenwoordig wil weten hoe het echt zit, dan moet je op twitter kijken. En dan blijkt: de R.-K. Kerk is anno 2015 géén trending topic in het leven van de meeste Nederlanders. In Facebook termen: de Kerk scoort onvoldoende likes. Nog ééntje dan: zondags kerkbezoek valt niet onder de FoMo waar menigeen onder gebukt gaat. Voor wie deze laatste uitdrukking niet kent: FoMo of voluit Fear of Missing out is een door sociale media veroorzaakt onrustgevoel dat je een feestje of belangrijke happening misloopt. En vanwege die voortdurende angst iets leuks te missen, zoek je voortdurend digitaal contact.

Begrijp me niet verkeerd: dit is geen pleidooi tégen sociale media. Er vinden zinvolle uitwisselingen plaats via sociale media en ook de Kerk en het geloof zijn er aanwezig. Het moderne pastoraat speelt zich zelfs deels af langs digitale lijnen. Een eerste contact via twitter tussen een priester en een gelovige mondt geregeld uit in een echt gesprek. Die digitale presentie van de Kerk is belangrijk. Je moet als Kerk immers het gesprek aangaan op de plaatsen waar de mensen zijn. Ook de apostel Paulus predikte op de rotsheuvel Areopagus (Handelingen 17,34). Dáár gebeurde het in die tijd. Paulus liet daar de Atheense filosofen dus kennismaken met Christus.

Maar sociale media zijn méér dan een verzameling digitale communicatiemiddelen. Ze veranderen de gebruikers, en ingrijpender dan de vroegere massamedia dat deden. De mens wordt door het gebruik van sociale media veelal een marketeer van zijn leven, een publiek gedeeld leven dat vaak in een reclamecampagne is veranderd. Personal branding – jezelf als merk neerzetten – heeft tegenwoordig betrekking op de gehele persoon. Waarbij voortdurend via selfies en andere foto’s op Instagram verslag wordt gedaan van een bruisend bestaan met alle successen. Die jacht op digitale erkenning past in een algemene tendens: een verlangen naar roem. Kinderen beantwoorden de vraag wat ze later willen worden vaak niet meer met een beroep, maar met simpelweg met ‘beroemd’. Hoe en waarmee is bijzaak.

De sociale media hebben een proces versterkt dat al tientallen jaren gaande was, namelijk dat van de individualisering. Het is een sociologisch gegeven dat Nederlanders in de afgelopen decennia extreem geïndividualiseerd zijn geraakt. Sociale verbanden zijn losser geworden of verdwenen; verenigingen, partijen en organisaties zijn grotendeels leeggelopen. Een alternatief wordt gezocht in de sociale media. De ‘nieuwe mens’ kan digitaal geen moment alleen zijn: voortdurend wordt naar het telefoonscherm gestaard vanuit de vrees dat het leven elders is. Op het scherm van je iPhone lijkt het gras bij de buren altijd groener – en dat ligt niet aan je scherminstellingen.

Een sociaal leven speelt zich echter niet online af, maar in het persoonlijke contact. Het rooms-katholieke geloof is per definitie een gezamenlijke onderneming van mensen die zich op gezette tijden verzamelen in het Huis van de Heer. Welk vermogen heeft de Kerk om in deze hyper-individualistische context het Evangelie te verkondigen? Het is voor een bisschop moeilijk om niet vol ongeloof naar de kerkelijke statistieken te kijken. Die zijn namelijk meedogenloos. Begin dit jaar meldde het dagblad Trouw dat Nederland voor het eerst meer atheïsten telt dan gelovigen. Ruim 25 procent noemt zich atheïst, slechts 17 procent van de Nederlanders zegt in een persoonlijke God te geloven. Die gelovigen gaan bovendien steeds minder naar de kerk. In oktober maakte het kerkelijke onderzoeksinstituut KASKI bekend dat in 2030 nog slechts 60.000 katholieken op een gemiddelde zondag naar de kerk gaan. In 2013 waren dat er 214.000.

Bij zulke ongunstige statistieken kunnen we ons altijd nog wenden tot de katholieke schrijver Godfried Bomans, aan wie de volgende uitspraak wordt toegeschreven: “Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk.” Dit is een vrolijke relativering van het belang dat aan statistieken moet worden gehecht. Er is méér tussen hemel en aarde dan statistiek. Als we ons blind staren op cijfers, hebben we letterlijk geen oog meer voor andere aspecten van de werkelijkheid. Zoals het gegeven dat geloof bergen kan verzetten.

Anderzijds kunnen we bij het maken van beleid niet om cijfermatige prognoses heen: een katholiek leeft van de hoop, maar een bisschop kan er zijn financiële tekorten niet op afboeken. Dat ondervond ik – zoals gezegd – toen ik in 2008 aantrad als aartsbisschop van Utrecht. Het was me snel duidelijk dat het bisdom op de rand van een technisch faillissement verkeerde. Ik moest dus op korte termijn saneren. Een woord met een negatieve bijklank, maar dat feitelijk ‘gezond maken’ betekent. Een moeilijke taak, maar wel één waar ik als arts affiniteit mee heb – u weet wellicht dat ik vóór mijn priesterstudie medicijnen heb gestudeerd. Pas bij de start van mijn specialisatie tot internist gooide ik het roer om en ben ik naar het seminarie gegaan.

Bij het saneren van het aartsbisdom, de diocesane curie (zeg maar het bisdomkantoor) en de dekenale centra moest tweederde van het personeel afvloeien en is de organisatie sterk ingekrompen. Dit waren pijnlijke maar noodzakelijke maatregelen om het Aartsbisdom Utrecht financieel gezond te maken. Maar het ging mij om méér dan alleen de financiële gezondheid. We moesten met de afgeslankte organisatie klaar zijn voor de uitdagingen die op ons af komen.

Sommige van die uitdagingen zijn zelfs al gearriveerd. Van het eertijds Rijke Roomse Leven staat in Nederland alleen nog de façade overeind in de vorm van vele honderden kerkgebouwen. Op sommige plaatsen is de kerk slechts een stenen decorstuk, waarachter zich nauwelijks een geloofsleven afspeelt. Het ontbreekt de Kerk aan het vermogen – financieel en anderszins – om al die gebouwen te onderhouden. Dat behoort niet tot onze taken: de Kerk is géén monumentenwacht. Als alle aandacht, geld en energie gaat zitten in het onderhoud van het gebouw voor een krimpende groep mensen, is dat niet toekomstgericht. Er gaat ook geen wervingskracht van uit. Beter is het om menskracht en middelen te bundelen. Niet om het langer vol te houden, maar om te komen tot innovatief pastoraat; pastoraat dat inzet op het benaderen van nieuwe mensen met de Blijde Boodschap van het Evangelie, door andere vormen van liturgisch vieren, een laagdrempelig catechetisch aanbod, diaconale initiatieven, vernieuwende opbouwmethoden en sociale media. Zo kunnen we de samenleving laten zien wát de Kerk doet en dát de Kerk ertoe doet.

Eind vorig jaar sprak ik dan ook de prognose uit dat over vijftien jaar in het Aartsbisdom Utrecht niet meer dan 20 van de huidige 49 parochies over blijven, met ieder slechts één of enkele kerkgebouwen. Toen ik deze Jobstijding naar buiten bracht, is me dat niet in dank afgenomen. En dan druk ik mij nog voorzichtig uit. Ik ben nog net niet gelyncht.

Ik heb daar natuurlijk begrip voor: de boodschapper van het slechte nieuws is van oudsher de pineut. Bovendien zijn boosheid en ontkenning de eerste fases van het rouwproces – en dat is het sluiten van hun kerkgebouw voor veel mensen. Daar zijn ze getrouwd, hebben ze hun kinderen laten dopen en vanuit die kerk hebben ze hun ouders begraven. Met name in dorpen klampen mensen zich aan het kerkgebouw vast. Daar speelt bovendien ook de algemene dorpsproblematiek een rol. Het platteland ontvolkt, jongeren trekken weg en daarmee verdwijnen voorzieningen. Veel winkels, scholen en ook bankfilialen gingen kerkgebouwen al voor in hun noodgedwongen exodus uit het platteland. Het kerkgebouw is in sommige dorpsgemeenschappen het enige samenbindende element dat resteert. Het doet dan extra pijn als die kerk moet sluiten. Maar ik heb het eerder gezegd: in het krimpproces dat de Kerk doormaakt, moeten we ons niet aan gebouwen vastklampen, daarin ligt niet onze redding. Zo’n stenen reddingsboei trekt ons juist de diepte in. Ons geloof is niet gekoppeld aan een gebouw, maar aan God. Dat heeft de geschiedenis keer op keer uitgewezen, als rooms-katholieken vanwege vervolging hun kerken moesten verlaten. Dat gebeurde bijvoorbeeld tijdens de Reformatie in Nederland. Voor hun liturgische vieringen konden Nederlandse katholieken alleen terecht in zogeheten schuilkerken. Toen die ban werd opgeheven, bleek dat vele katholieken ook zonder gebouw hun geloof hadden behouden.

Het lijkt wellicht tegenstrijdig, maar het sluiten van (overbodige) kerken is bouwen aan de Kerk van de toekomst. In Apeldoorn, waar 6 van de 7 kerken zijn gesloten, is het overgebleven kerkgebouw op zondag goed bezet. Zo zijn 7 tanende geloofsgemeenschappen met weinig kerkbezoek en amper activiteiten, omgevormd tot één levendige geloofsgemeenschap met hoog kerkbezoek en nieuwe initiatieven.

Wat ik nu ga zeggen komt misschien als een verrassing, maar voor u staat ondanks alles een optimistisch mens. Deels heeft dat te maken met mijn core business: ik verkondig een Blijde Boodschap. Een boodschap vol geloof, hoop en liefde en de belofte van een eeuwig leven. Ik lijd niet aan fear of missing out, omdat ik mij gedragen weet door Gods liefde die over de grenzen van de dood heen reikt. Bovendien is de Kerk in de geschiedenis wel vaker afgeschreven. Zo dachten velen dat het met haar was afgelopen, toen in het Napoleontische tijdperk in 1798 te Rome de Romeinse Republiek werd uitgeroepen en Paus Pius VI werd weggevoerd naar Valence in Frankrijk en kort daarop overleed.

Voor een juist begrip van de situatie en het inschatten van de kerkelijke kansen is een goede diagnose van de hedendaagse mens belangrijk. Het is bekend dat inwoners van de moderne Westerse samenleving kampen met ‘welvaartsziekten’ zoals obesitas, hart- en vaatziekten en diabetes type 2. Ik wil aandacht vragen voor een andere welvaartsziekte die de afgelopen decennia om zich heen heeft gegrepen. Ik noem deze aandoening ‘religieuze fantoompijn’.

Bij de klassieke fantoompijn is het hersengebied dat oorspronkelijk correspondeerde met het geamputeerde lichaamsdeel nog actief en wordt nu en dan geactiveerd. De hersenen interpreteren deze activiteit alsof het geamputeerde lichaamsdeel er nog is en pijn doet. Bij religieuze fantoompijn speelt iets vergelijkbaars. Mensen voelen geregeld gelovige activiteit in hun ziel, maar omdat ze zijn losgesneden van hun christelijke wortels voelt dit als onrust of pijn. Met name bij scharniermomenten of tegenslag biedt een leven dat wordt geleefd vanuit louter de zintuiglijke werkelijkheid, onvoldoende houvast. Zelfs als het leven op rolletjes loopt, knaagt er vaak iets. Dat wist de kerkvader Augustinus al haarfijn, getuige de ‘fantoompijn’ die hij geregeld voelde en die hem de volgende uitroep richting God ontlokte: “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.”

De fantoompijn van de moderne Westerse mens is overigens een erfelijke aandoening: meestal is hun wond een generatie eerder toegebracht, door ouders die de Kerk verlieten en hun kinderen geen religieuze opvoeding hebben meegegeven. Veel mensen met religieuze fantoompijn doen dan ook aan zelfmedicatie. Het gemis drukken ze uit als dat ‘er meer is tussen hemel en aarde’, waarna ze als pleister op hun gewonde ziel uit diverse stromingen een persoonlijk geloofspakket samenstellen. In onze hyper-individualistische samenleving heeft het individu niet alleen het recht, maar zelfs de plicht zijn eigen levensbeschouwing of religie samen te stellen en zich daarin van anderen te onderscheiden. Maar dat kan nooit gelden voor religie. Religie is – ik memoreerde het reeds – per definitie een gezamenlijke activiteit met een samenbindende kracht. De individualistische pleister waarnaar de moderne mens grijpt, heelt niet werkelijk.

Het feit dat religieuze fantoompijn epidemische vormen heeft aangenomen, bewijst dat óók de 21ste eeuwse mens ongeneeslijk religieus is. Zo kunnen mensen buiten de kaders van een georganiseerd geloof moeilijk zonder rituelen. Dat blijkt uit de vele ‘ritueel begeleiders’ die hun diensten aanbieden. Maar dergelijke nieuwerwetse rituelen zijn doorgaans gericht op het ‘hier en nu’. Ze zijn een zwakke afspiegeling van het echte ritueel. Zo is het rooms-katholieke Allerzielen op 2 november méér dan een kaarsje branden ter herinnering aan overledenen. Het is óók het blijvende gebed voor de mensen die ons voorgingen in de dood en met wie we door dat gebed over de grens van leven en dood verbonden blijven. Op dit moment bieden quasikerkelijke rituelen een alternatief voor het georganiseerd geloof. Het is mijn hoop dat ze op den duur gaan functioneren als richtingwijzers naar dat geloof. Waarom genoegen nemen met namaak als het origineel beschikbaar is?

Het rooms-katholieke geloof richt zich op de hele mens, in alle stadia van het leven. Bij de pieken in iemands leven, maar ook bij de dalen. Er is plaats voor de menselijke zwakheden. Ieder van ons laat tijdens zijn of haar leven immers een spoor van moreel zwerfafval achter zich. Van verbroken beloftes, leugens en andere misstappen. Het rooms-katholieke geloof biedt mensen de mogelijkheid daarmee in het reine te komen. Niet door uiterlijk de schijn op te houden, maar door innerlijke groei. Dat is mogelijk, omdat God onvoorwaardelijk van ons houdt. Een gegeven dat mijlenver afstaat van de huidige druk die mensen voelen om zich zo succesvol mogelijk te presenteren.

Ik ben ervan overtuigd dat de Rooms-Katholieke Kerk haar authentieke geluid niet moet afstemmen op wat bon ton is in de samenleving. Velen zouden het toejuichen wanneer de Kerk meer als de samenleving zou klinken. Dat is echter een heilloze weg. Het is immers aan de Kerk om een profetisch stemgeluid te laten horen. Door samen te vallen met haar omgeving zou de Kerk zichzelf tegenspreken. Want gelovigen hebben de taak om ‘het zout der aarde’ te zijn, zoals Jezus in het Evangelie van Matteüs zegt. En dat moeten ze ook zijn in een tijdperk waarin de samenleving een zoutloos dieet nastreeft. Juist dan, zou ik zeggen.

Het is één van de taken van de Kerk om individuen en de samenleving een spiegel voor te houden. Niet zodat die een bewonderende blik op zichzelf kunnen werpen. Nee, de Kerk functioneert als een kritisch tegenover. Bovendien trekken juist tegenpolen elkaar aan. De Kerk die in de samenleving het andere verhaal vertelt, die het tegendraadse doet, die heeft duurzame aantrekkingskracht. Zo’n Kerk kan mensen raken. Die intrigeert, inspireert én innoveert – want zet de mens op de weg naar een betere versie van zichzelf.

Op 8 december start het door paus Franciscus uitgeroepen Heilig Jaar van de Barmhartigheid. In Rome en in elk bisdom wereldwijd gaan een jaar lang zogeheten ‘heilige deuren’ open. Deze deuren van barmhartigheid geven mensen de gelegenheid om thuis te komen bij God. Maar ook als dat jaar voorbij is, blijven de deuren van de kerk open staan. Ik pleit dus niet voor een ‘heilige restkerk’, zoals mijn visie weleens wordt geïnterpreteerd. Ik bepleit geen ‘vluchtheuvelkerk’ waar alleen de ware gelovigen een veilig heenkomen vinden. De boodschap van de Kerk is juist gericht tot allen en tot de gehele samenleving. Een samenleving waarmee we contact blijven zoeken. Maar de Kerk moet wel zichzelf blijven. Kerken die zich grotendeels aan de moderniteit hebben aangepast, zoals de Anglicaanse kerk in Engeland, zijn sneller leeggelopen dan de R.-K. Kerk of orthodoxe protestantse stromingen. Die waarschuwing moeten we niet in de wind slaan. Geen ‘heilige rest’ dus, wel gaan we richting een keuzekerk. Vroeger was het geloof een soort familiebedrijf dat van generatie op generatie werd doorgegeven. Nu kiezen mensen bewust voor het geloof. Dat moet dan wel authentiek zijn.

En dat authentieke geloof heeft grote maatschappelijke betekenis. Enkele jaren geleden lieten de Rooms-Katholieke Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland becijferen welke waarde hun sociale activiteiten hebben. Beide kerken bereiken daarmee jaarlijks 1,4 miljoen mensen, onder wie veel niet-kerkleden. Bij de helft van hen gaat het om pastorale zorg en diaconale hulpverlening, zoals bezoek aan zieken en ouderen, rouwverwerking, een inloophuis, jongerenwerk of een voedsel- of kledingbank. Opgeteld is de sociale bijdrage aan de maatschappij van de ongeveer 100.000 vrijwilligers in parochies en gemeenten 325 miljoen euro!

Dat is een aanzienlijk bedrag. Die inzet voor de medemens komt voort uit ons geloof. Een geloof dat door vele moderne Nederlanders is afgeschreven als ‘niet meer van deze tijd’. Terwijl deze kerkelijke vrijwilligers zich met hart en ziel inzetten voor de goede zaak. Vooral die inzet vanuit hun ziel motiveert hen en geeft kracht om vol te houden. Het is de persoon van Christus die hen daarbij inspireert. Ik maak daarvoor een diepe buiging en dat zouden meer mensen moeten doen.

Tot slot. Veel hedendaagse kritiek op religie is ingegeven door het idee dat het achterhaald is om te geloven. Achterlijk zelfs. Maar hoe onredelijk is het om te geloven? Laat ik een vergelijking maken met een fenomeen dat in deze kringen bekend mag zijn: de ‘onzichtbare hand’. Daarmee omschreef Adam Smith het zelfregulerend effect van een markt, als ik het kort samenvat. Iedereen streeft in die markt zijn eigen belang na, hetgeen collectief tot welvaart zou moeten leiden. Die veronderstelde wetmatigheid noemde Smith de ‘onzichtbare hand’. Iedereen begreep en begrijpt waarover hij sprak.

De Kerk veronderstelt ook een ‘onzichtbare hand’. Die behoort toe aan God, en wij geloven dat ieders naam in Zijn handpalm is geschreven. We ervaren dat die hand ons steunt als we het moeilijk hebben, we voelen hem op onze schouder in eenzame tijden. En we geven hem soms een high five. Uit vreugde of dankbaarheid. Ook dat zouden meer mensen moeten doen.

Ik dank u voor uw aandacht.

>>> http://aartsbisdom.nl

3 Responses to “Mgr. Wim Eijk: Religieus kapitaal – het vermogen om Kerk te zijn”

  1. Kardinaal Eijk was mijn klasgenoot op het seminarie, en later mijn leermeester in de theologie: Ethiek en Moraaltheologie. Sympathiek en aangenaam om mee om te gaan. Ik ben God dankbaar dat mijn voormalige studiegenoot nu Gods wil probeert na te volgen op zo’n hoog niveau. Een prima mens, priester en kardinaal.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: