Dr. A.A.A. Terruwe – Biografisch Woordenboek

Anna Terruwe

1911-2004, psychiater
Anna Alberdina Antoinette Terruwe werd op 19 augustus 1911 in Vierlingsbeek geboren als enige dochter van Johannes Theodorus Terruwe (Boxmeer 28 december 1885-Utrecht 24 november 1950) en Catherina Theresia Ernestina Huberta Korbmacher (Boxmeer 20 mei 1881Deurne 26 september 1969). Hun gezin telde naast Anna nog een jongere zoon Jo (Johannes Ernst Antoon, Vierlingsbeek 22 maart 1913-Deurne 1 juli 1989), die omstreeks 1940 in Frankrijk tot priester werd gewijd en daar tot 1987 werkzaam bleef. Later werden nog een Frans pleegkind en tijdens de oorlog een joods onderduikertje in huis opgenomen. Anna Terruwe bleef ongehuwd en overleed op 28 april 2004 te Deurne.

Anna (roepnaam Anny) Terruwe groeide op en ging naar school in Vierlingsbeek en in Deurne, waar het gezin in 1921 naartoe verhuisde. Haar vader was koopman, haar moeder was als vroedvrouw in dienst van de gemeente en zorgde voor een vast inkomen. Beiden waren zeer standsbewust en hielden zich afzijdig van de dorpsgemeenschap. Na haar eindexamen gymnasium B aan het Catherinalyceum in Eindhoven ging Anny in 1930 medicijnen studeren in Utrecht. Ze was actief in de katholieke studentenvereniging Veritas, waarvan twee jaar als praeses van de meisjesstudentenclub. Daarnaast volgde Anny, zoals andere katholieke studenten, colleges filosofie, onder andere over het thomisme bij de toen bekende dominicaan mag. A.C. Doodkorte. Het thomisme of neothomisme, de eind 19de eeuw ontstane interpretatie van het gedachtegoed van de invloedrijke middeleeuwse denker Thomas van Aquino, was in die tijd de gezaghebbende leer in de katholieke kerk.

In deze tijd moet Anny Terruwe ook in contact zijn gekomen met de eveneens in katholieke kring landelijk bekende Nijmeegse redemptorist, jurist en moraaltheoloog prof.mr. Willem Duynstee (1886-1968) – raadsman van vooral jonge katholieke intellectuelen. Hoogstwaarschijnlijk sprak ze met hem over haar toekomst en haar religieuze roeping. Want in overleg met hem trad ze op 28 februari 1937, 25 jaar oud, enkele maanden voor haar afstuderen in bij de clarissen-capucinessen in Duivendrecht, een beschouwende orde. Al snel, precies twee maanden later, verliet ze, eveneens op advies van Duynstee, weer het klooster. Haar ouders hadden er herhaald op aangedrongen dat ze eerst haar studie zou afmaken alvorens een definitieve keuze voor haar roeping te maken. In 1938 deed ze alsnog haar artsexamen.

Ze koos er nu voor binnen de geneeskunde actief te blijven en zich te richten op de psychiatrie. Ze kon echter niet meteen met de opleiding beginnen en werkte daarom, ook al vanwege een tekort aan chirurgen door de mobilisatie, eerst een half jaar als assistent op de afdeling chirurgie van het ziekenhuis St. Annadal in Maastricht. In juni 1939 werd ze benoemd tot assistent in de psychiatrische inrichting ‘Voorburg’ in Vught, die werd geleid door de psychiater dr. G.B.J.A. Janssens. Daar zou ze ruim vier jaar werkzaam blijven. Per 1 september 1943 kreeg ze op eigen verzoek ontslag en werd benoemd tot tweede assistent van de zenuwarts prof.dr. J.J.G. Prick, hoofd van het ‘Zenuwpaviljoen’, de psychiatrisch-neurologische kliniek van het St. Canisiusziekenhuis in Nijmegen. Ze voltooide hier haar specialisatie en bleef tot 1 september 1945 in dienst. Vermeldenswaard is dat ze na het bombardement op Nijmegen van februari 1944 bijsprong op de chirurgie-afdeling.

In 1945 werd Anna Terruwe ingeschreven in het specialistenregister en begon ze een eigen praktijk als zenuwarts voor uitsluitend psychotherapie, eerst aan de Berg en Dalseweg en anderhalf jaar later aan de Vossenlaan 1 in Nijmegen. Daar zou ze tot 1982 blijven wonen en werken, samen met haar huishoudster, die tevoren bij haar ouders in Deurne in dienst was geweest. Anna Terruwe was, toen ze haar praktijk begon, de eerste vrouwelijke katholieke zenuwarts in Nederland. Die pioniersrol was zo moeilijk dat ze erover dacht “maar liever stoepen te gaan schrobben”. Ze was zeer dankbaar voor de steun met woord en daad, die ze kreeg van Duynstee, die, naar ze later opmerkte, haar voor de psychiatrie had behouden. Duynstee was ook binnen de katholieke psychiatrie een invloedrijk man. In 1935 had hij indruk gemaakt met een lezing ‘De verdringingstheorie, beoordeeld van thomistisch standpunt’, waarin hij de psycho-analyse van Sigmund Freud met de moraalleer en het neothomistisch gedachtegoed van de katholieke kerk verbond. De theorie van Freud werd door de kerk afgewezen, omdat in de traditionele katholieke visie een neurose niet beschouwd werd als het gevolg van verdringing van gevoelens, maar eerder werd gezien als het gevolg van een ontsporing op het gebied van geloof en moraal, vooral de seksuele moraal. Seksueel afwijkend gedrag van de neuroticus werd als zondig aangemerkt. Volgens de psychoanalytici daarentegen kenmerken de dwangmatige denkbeelden en handelingen van de neuroticus zich juist door de afwezigheid van geestelijke vrijheid. Bij het ontbreken daarvan is volgens hen dan ook een moreel oordeel niet op zijn plaats, maar moet eerst de gezondheid hersteld worden. Duynstee erkende wel het optreden van verdringing, maar wees de seksuele oorsprong ervan af.

Als gelovig katholiek en als psychoanalytisch geschoold arts voelde Terruwe zich aangesproken door deze poging tot synthese van Duynstee en nam zij het op zich om de visies van Freud en de kerk ook medischwetenschappelijk en praktisch-therapeutisch met elkaar te verbinden. In nauwe samenwerking met Duynstee schreef ze in 1949 een proefschrift, gebaseerd op diens inzichten, onder de titel: De neurose in het licht der rationeele psychologie. De katholieke Leidse hoogleraar psychiatrie prof.dr. E.A.D.E. Carp was bereid om als promotor op te treden. Tevoren had ze haar opleider in Utrecht prof.dr. H.C. Rümke benaderd, maar hij achtte zich inzake het thomisme niet deskundig. Terruwe hoopte met haar studie een psychotherapie aan te bieden, die én recht deed aan Freud én paste in het mensbeeld en de leer van de katholieke kerk. Daarbij was haar uitgangspunt de gevolgen van de verdringing bij haar cliënten niet te verbieden of te veroordelen, maar te dulden en ze langs die weg door hen te laten integreren in hun leven.

Haar proefschrift kreeg veel aandacht. De reacties van collega-wetenschappers waren deels positief, deels negatief. In kerkelijke kringen werd echter zeer verontwaardigd gereageerd. Haar opvattingen over het gebrek aan geestelijke vrijheid van de neuroticus werden gezien als een vrijbrief voor het goedkeuren van overtredingen van de seksuele moraal. Op de achtergrond speelde daarbij een competentiekwestie, en wel de vraag wie bevoegd waren een oordeel te geven over die geestelijke onvrijheid en daarmee over het moreel ontoerekeningsvatbaar zijn van neurotische cliënten: waren het de therapeuten of waren het de zielzorgers? Omdat Terruwe als katholieke arts onder haar cliënten veel priesters, kloosterlingen en seminaristen had, die gebukt gingen onder psychische problemen, samenhangend met hun onderdrukte seksualiteit, kwam spoedig een stroom van geruchten op gang over seksuele adviezen die zij hun in strijd met de kerkelijke regels zou geven. Al in 1950 werd van kerkelijke zijde op last van de bisschoppen het eerste onderzoek hiernaar ingesteld. Zij en haar raadsman Duynstee werden toen nog vrijgepleit. Terruwe zelf werd in het rapport ‘rechtzinnig in de leer’ en ‘voorzichtig in de practijk’ genoemd.

De geruchten en verdachtmakingen bleven echter doorgaan. In 1954-1955 volgde een nieuw kerkelijk onderzoek, nu in opdracht van Rome zelf. Het resulteerde in 1956 in een niet ondertekend stuk ‘Quaedam admonitiones’, waarin tegen de ‘verderfelijke’ opvattingen van Terruwe en Duynstee werd gewaarschuwd. Ook werden alle kerkelijke leiders in Nederland in brieven tegen hen gewaarschuwd en werd het hun verboden om priesters, seminaristen en kloosterlingen die onder hun gezag stonden, naar een psychiater of psychotherapeut van het andere geslacht te sturen. Terruwe werd niet met name genoemd, maar het was zonneklaar dat zij werd bedoeld. Duynstee, die juist met emeritaat was gegaan, werd door zijn oversten naar Rome ‘verbannen’. Pas in 1960 mocht hij in stilte naar Nederland terugkeren. Hij mocht Terruwe niet meer ontmoeten, maar ze bleven in het geheim contact houden. Terruwe, die zelf niet was gehoord en zich op lasterlijke wijze in haar eer en goede naam zag geschaad, deed verschillende pogingen om eerherstel te krijgen. Uiteindelijk ging ze in 1964 over tot openbaarmaking van de gebeurtenissen in een in zeer beperkte kring verspreid boekje Opening van zaken (in usum privatum). Sindsdien sprak men van de ‘affaireTerruwe’. Een jaar later, in april 1965, werd ze na tussenkomst van kardinaal Alfrink door paus Paulus VI officieel gerehabiliteerd. In het Vaticaan werd de eerst zo verguisde psychiater nu spoedig een graag geziene gast. Paus Paulus las een in het Frans vertaald boekje van haar en er kwam een direct contact tot stand. Ze kreeg in 1969 een ‘onbeperkte’ audiëntie bij hem en bezocht hem ook daarna in Rome. Het persoonlijke contact met de paus zal zeker ook verband hebben gehouden met de omstandigheid dat Terruwe zich intussen, evenals overigens Duynstee, had gemanifesteerd als verdedigster van zijn zeer beperkende leer inzake huwelijk, celibaat en geboorteregeling.

De Romeinse perikelen weerhielden Anna Terruwe niet te blijven publiceren en haar onderzoek op het gebied van de neurosen voort te zetten. In 1962 verscheen haar boekje De frustratieneurose. Daarin stelde ze dat mensen door het streven naar zelfbevestiging zo met zichzelf en anderen in de knoop kunnen raken dat een neurotische misvorming van geheel eigen aard optreedt, die volgens haar nog niet eerder was beschreven. Zij noemde deze neurotische misvorming ‘frustratieneurose’. Ook kenmerkend voor dit neurotisch syndroom was volgens haar dat het, anders dan de door Freud beschreven neurosen, niet veroorzaakt werd door verdringing. Voor de therapie was haar hypothese belangrijk dat mensen van jongs af aan bevestiging nodig hebben om psychisch en geestelijk tot een volwaardig mens te kunnen uitgroeien. Bevestiging is het gebeuren waarbij mensen aan elkaar waardegevoel schenken en van elkaar waardegevoel ontvangen. Deze inzichten werden het uitgangspunt voor een door haar ontworpen professionele behandelwijze, maar bevestiging was volgens haar ook mogelijk in een persoonlijke relatie van mens tot mens.

Anna Terruwe besefte niet de eerste wetenschapper te zijn, die over het belang van bevestiging sprak. Toch moet het voor haar een grote teleurstelling zijn geweest dat het ziektebeeld van de frustratieneurose door haar vakgenoten in de psychiatrie nooit wetenschappelijk werd erkend. De zenuwarts Marlet verklaart dat vanuit een vermoeden dat de meeste collegae dergelijke patiënten rangschikten in de bredere categorie van lijders aan verwaarlozingsverschijnselen dan wel neurotici. Ook haar eigenzinnige terminologie bevorderde de aanvaarding van haar inzichten niet. Een andere grote tegenslag in deze jaren was het plotselinge overlijden van Duynstee, haar ‘leermeester’, in 1968 in Frankrijk, toen zij samen onderweg waren naar Rome.

Kort daarna begon Terruwe haar ideeën over bevestiging te ontvouwen voor een groot publiek. Ze schreef ruim twintig populariserende boekjes en hield tot op hoge leeftijd honderden lezingen in binnen- en buitenland. Er verschenen ook twee grammofoonplaten met lezingen in 1970 en 1971 en een tiental geluidscassettes in de jaren ’80. Bij haar publieksoptredens cultiveerde ze bewust een aristocratische, ja zelfs majesteitelijke uitstraling. Haar dictie leek op die van koningin Wilhelmina. Haar boekje De frustratieneurose beleefde vele herdrukken tot de zevende druk in 1998. Een internationaal eerbetoon was het eredoctoraat van het katholieke Anna Maria College in Paxton, Massachusetts (VS), dat ze in juni 1974 in het bijzijn van kardinaal Alfrink ontving. Eind jaren ’70 was Anna Terruwe een van Nederlands bekendste psychiaters. Inzake de seksuele moraal en de leer van de kerk bleef ze streng. Mensen die hiermee problemen hadden, leden volgens haar aan een tekort aan bevestiging en een gebrek aan geestelijke volwassenheid. Haar behoudende opvattingen werden echter minder gewaardeerd, zoals blijkt uit het liedje over homoseksualiteit uit de musical Foxtrot (1977) ‘Wat ik nou toch heb gelezen’. Terruwe wordt niet met name genoemd, maar iedereen wist dat zij wordt bedoeld met de genoemde ‘Nijmeegse Psychiater’.

Ze werkte haar bevestigingsleer intussen verder uit tot ook een maatschappelijke leer. Ze kwam tot het inzicht dat ook een menselijke samenleving als geheel fundamenteel scheef kan groeien door het streven naar zelfbevestiging en dat deze zelfgerichtheid ten koste gaat van andere mensen en samenlevingen. Een bijzondere doelgroep vormden voor haar de maatschappelijk hooggeplaatsten. In 1978, 1979 en 1983 vonden op uitnodiging van de familie Van Heek een drietal bijeenkomsten met bekende politici plaats op hun kasteeel Bergh te ’s-Heerenbergh. In 1981 werd de Dr. Anna Terruwe Stichting opgericht met het doel haar gedachtegoed te behoeden en te bewaren en de verspreiding van de leer der bevestiging, zo ruim mogelijk, te bevorderen. De Stichting is nog altijd actief.

In 1982 keerde Anna Terruwe, nadat ze 70 was geworden, terug naar Deurne en vestigde ze zich samen met haar huishoudster in haar ouderlijk huis, dat ze altijd had aangehouden en waar ze in de weekends verbleef. Ze ging daar verder met de verbreiding van haar leer en ontving onder anderen de Belgische kardinaal Danneels en prominente politici. Ze ondersteunde actief de Dr. Anna Terruwe Stichting. In 1984 werd een zusterstichting in België opgericht. In 1985 volgde de opening van een Dr. Anna Terruwe Centrum in Deurne en in 1987 van een vergelijkbaar centrum in Gent. Een eigen tijdschrift met de titel ABRI, Tijdschrift voor bevestigend samenleven ging vanaf 1984 verschijnen. Haar vielen in deze laatste levensfase opnieuw eerbewijzen ten deel. In 1986 werd ze bij haar 75ste verjaardag koninklijk onderscheiden en benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Ook verscheen in 1987 een vriendenboek Bevestigend samenleven. Terruwes laatste levensjaren waren moeilijk. Haar intussen ook bejaarde huishoudster, die haar altijd trouw had gediend, overleed na een langdurige ziekte. Ook voor haar zelf gingen de jaren tellen. Ze werd moeilijk ter been en daardoor minder mobiel en sloot zich steeds meer van de buitenwereld af. In 2004 overleed ze op 92-jarige leeftijd in Deurne.

Anna Terruwe heeft een zeer arbeidzaam leven geleid. Ze oefende ruim 50 jaar haar praktijk uit. Naar ze zelf in 1994 zei, ontving ze in totaal circa 17.000 mensen. Over haar eigen persoon was ze zeer gesloten. Ze schermde haar privéleven af. Over haar liefhebberijen is weinig bekend. Ze speelde piano, schreef gedichten en fietste graag en veel. Ze was een charismatische vrouw en moet een zeer empathische, zeer bekwame therapeute zijn geweest. Haar patiënten noemden haar hartelijk, warm en menselijk. Sommigen van hen volgde ze jarenlang. Omgekeerd werd ze door sommigen van hen verafgood. Daarnaast wekte haar moed om tegen heersende opvattingen in haar eigen weg te gaan vooral in de jaren ’50 en ’60 ook bewondering. Vanaf de jaren ’70 vereenzelvigde ze zich steeds meer met haar bevestigingsleer, volgens Marlet haar belangrijkste bijdrage op wetenschappelijk gebied en het meest waardevolle deel van haar totale werk als psychotherapeute. De verbreiding daarvan werd nu haar totale levensvervulling. Ze had steeds sterker het besef een taak te hebben, waarvan de betekenis boven haar uitging. Ze was er heilig van overtuigd dat ze op dat terrein een roeping, een missie had en dat haar gedachtegoed eens zou doorbreken. Ze legde, naarmate de jaren vorderden, steeds sterker de nadruk op het belang hierbij van de weerhoudende liefde. Deze liefde, die was geënt op de attitude die een psychiater beroepshalve ten opzichte van een cliënt dient te hebben, groeide bij haar uit tot een ideaal, dat elk mens zou moeten nastreven, maar feitelijk onbereikbaar was. Daarmee ging ze, zoals Winkeler terecht opmerkt, net een stap te ver. Voor kritiek op haar leer was Terruwe evenwel niet ontvankelijk. Discussies hierover ging ze uit de weg. De Nijmeegse theoloog Grossouw typeerde al in 1981 deze late Terruwe treffend als een christelijke goeroe.

Haar grote religiositeit zal aan deze zendingsdrang niet vreemd zijn geweest. Anna Terruwe was een diepgelovig mens. Haar verblijf in het klooster was dan wel kort, maar feitelijk is ze een kloosterlinge in de wereld gebleven. Volgens Marlet is Terruwe “meer een kind van haar tijd” gebleven dan men in 1949 kon vermoeden. Daarbij kan de invloed die de 25 jaar oudere Duynstee op haar had, moeilijk worden overschat. Mogelijk had die blijvende gehechtheid aan haar achtergrond, haar opvoeding en haar vorming ook te maken met haar afkomst en persoon. Evenals haar ouders was Anna Terruwe zeer standsbewust in al haar contacten. Ze was voorts zeer eigenzinnig en haar vermogen tot zelfkritiek was niet sterk ontwikkeld. Dat ze daardoor later haar eigen invloed ging overschatten, is tragisch te noemen, omdat ze tegelijkertijd een ongewoon begaafde vrouw was, die voor veel mensen veel heeft betekend. Ook door haar uiterst behoudende opvattingen over de seksuele moraal, haar traditionele opvattingen over de katholieke kerk en haar leergezag – in weerwil van de eigen ervaringen hiermee – en haar eigenzinnig taalgebruik heeft ze later steeds meer mensen van zich vervreemd, die zich wel door haar bevestigingstheorie voelden aangesproken. Dat is jammer, want de kern hiervan, de waarde van bevestiging in alle menselijke betrekkingen, blijft onverminderd gelden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: